Het water wordt mens

Hij heeft een complex karakter. Charmant, misleidend, genadeloos. Dana Linssen over de zee als filmpersonage.

E

en man klimt in de mast. Behoedzaam, en gezekerd. Hij is al wat ouder, maar hij is ook ervaren. Dat zie je aan alles. Zijn bewegingen zijn misschien hier en daar wat stram, maar ook beheerst en zelfverzekerd. Het is een goed moment om daar boven even poolshoogte te nemen. De oceaan is blauw en eindeloos. Het is een windstille dag.

Beter kun je de stilte voor de storm niet illustreren.

Want de storm steekt op. Natuurlijk. Daar waar aan de horizon de punt van een wolk het water raakt. Een zwarte trechter. Die storm, dat is waar het allemaal om draait in All Is Lost, de nieuwe film van J. C. Chandor, die twee jaar geleden in zijn bankiersthriller Margin Call het laatste etmaal voor de crash van 2008 aftelt. Het lijkt wel of hij met All Is Lost precies dezelfde film heeft gemaakt, maar dan teruggebracht tot de basiswetten van de dramaturgie: een personage, een plek en een probleem, in dit geval: een man, een boot en een storm. Hoe gaat dat aflopen?

Het helpt dat die man gespeeld wordt door een held van het oude Hollywood, Robert Redford, die inmiddels het verweerde gezicht van een zeebonk heeft gekregen: een landkaart van zeestromen, kompaslijnen en waterdieptes. Daar kun je eindeloos naar kijken. Geen wonder dat de film dit voorjaar op het Filmfestival Cannes – na wat aanvankelijke scepsis: een film met maar één hoofdpersoon, waarin bijna niet gesproken wordt, kan dat wel goed gaan? – laaiend enthousiast ontvangen werd. Met slechts een acteur in een reddingsvest is die film net zo spannend als rampenfilm The Perfect Storm waarin onder andere George Clooney en Mark Wahlberg in een gigantisch special-effectsgolfslagbad ondersteboven worden gespoeld.

All is Lost is de derde grote film in twee jaar waarin de zee de hoofdrol speelt. Afgelopen december al dobberde in het kleurrijke 3D van Life of Pi het jongetje Pi Patel in een reddingssloep op zee. Maar die had tenminste nog een tijger als reisgenoot. En de Noorse film Kon-Tiki zette zes mannen op een vlot om de legendarische reis van Peru naar Polynesië van onderzoeker en avonturier Thor Heyderdahl voor het eerst in speelfilmvorm te gieten.

Zeemonster

Het water is in al die films de belangrijkste tegenspeler. Eentje met een complex karakter. Het ene moment schommelt het water je op zijn golven zachtaardig in slaap, het andere schudt het je boos wakker en trekt het huizenhoge golven op die met de gekrulde lippen van een zeemonster op je af stormen om je te verzwelgen. Als een scenarioschrijver zo’n personage zou verzinnen, dan zou je tot geen andere conclusie kunnen komen dan dat hij een psychopaat van het zuiverste water heeft gecreëerd. De ultieme onberekenbare schurk. Charmant, aantrekkelijk, misleidend, verraderlijk, impulsief en zonder genade.

Als de storm weer is gaan liggen, het wrakhout op de stranden aanspoelt en de matrozen het dek zwabberen en de gaten stoppen is alles weer voorbij. En anders dan bij menselijke schurken, vraag je je bij de zee niet af waarom hij is zoals hij is. De zee is de zee. Een natuurkracht zonder rede of ratio. Als we nederig zijn, kunnen we hem misschien leren kennen. Arrogantie wordt hoe dan ook afgestraft.

Dat verklaart meteen waarom we zo graag kijken naar films over mensen die het opnemen tegen de elementen. Waarom de piratenfilms waarin Johnny Depp, Orlando Bloom en Keira Knightley over de Caraïbische zee schuimen zo immens populair zijn en horrorfilmers graag een groepje mensen op een stuurloos schip bij elkaar brengen. Met als klassieke voorbeelden Roman Polanski’s Knife in the Water en de Australische thriller Dead Calm. Twee mannen en een vrouw op een boot. De zee en het onvoorspelbare water om hen heen wordt dan een metafoor voor onze eigen angsten. Voor de stormen die van binnen woeden. En vooral voor de onkenbaarheid van de ander en het andere. Sommige woelingen zijn nu eenmaal niet te begrijpen, maar er is niets menselijkers dan de koppige strijd om dat wel te willen. Dat is namelijk hoe we overleven.

Ook de Nederlandse filmgeschiedenis kent de nodige films over de eeuwige strijd tegen het water. De stem van dichter Marsman is nooit ver weg. Of het nu om blockbusterachtige avonturenfilms gaat als het recente De storm, waarin de Watersnoodramp van 1953 centraal staat, of om Nova Zembla waarin de storm de mannen van kapitein Willem Barentsz in 3D naar de overwintering in het Behouden Huys blies, of om de klassieke documentaire van Bert Haanstra waarvan de titel komt uit Marsmans gedicht ‘Denkend aan Holland’: De stem van het water uit 1966. In De storm en Nova Zembla is de zee geen vriend, en richten de makers zich vooral op de menselijke veerkracht, de drang om te overleven. Haanstra zet in zijn film, met beelden van watersport en waterwerken, en als rode draad een jongetje dat leert zwemmen, vooral in op het bondgenootschap dat de Nederlanders noodgedwongen met het water hebben moeten sluiten. Hij gaf zijn water de stem van Simon Carmiggelt mee. Met een nog opvallend jonge stem en lichte ironie leidt hij op de commentaartrack de tocht langs de Hollandse wateren in: „Komen we nou nooit van dat water af? We weten nou wel dat we onder de zeespiegel wonen.”

Verraderlijke minnares

Het probleem is natuurlijk dat we het niet weten. We willen het niet weten. We denken er nooit aan. Al die mannen die in al die films de zee op gaan zijn net vrouwen in een gewelddadige relatie. Ze denken dat zij wel boven water zullen blijven. En zo laten die mannen zich in slaap fluisteren door het ruisende water en geven zich over aan de armen van een verraderlijke minnares: het water. Een dame die ze met huid en haar verslindt, en weer uitspuwt als een oester zijn parel. Soms zijn ze dan zelf zee geworden, zoals kapitein Davy Jones uit de Pirates-films die al eeuwen op zijn Vliegende Hollander onder de golven woont, en bij nacht en ontij boven water komt. Hij is in een immens weekdier veranderd: tentakels pulseren waar eens zijn baard was, zijn hoed een enorme schelp, zijn handen krabbenscharen. Het is alsof we Shakespeares luchtwezen Ariel uit het toneelstuk De storm horen zingen: „Vijf faam diep ligt je vader in zee, zijn oog werd een parel, zijn rib koraal”. In zee gaat niets verloren, alles wordt getransformeerd tot we weer het water zijn waaruit we ooit aan land zijn gekropen.

Het water is altijd een metafoor voor het leven. Zoals de filosofische bankrover/surfer Bodhi uit Point Break ons voorhoudt voordat hij zijn laatste golf zal pakken: „Die plek waar je jezelf vindt en verliest.” Op zulke momenten is het water, ontdaan van al zijn antropomorfe trekjes, niets anders dan een spiegel.