Helemaal klaar met de middelmaat

Vier weken geleden stopte Iefke van Belkum plotseling bij de nationale waterpoloploeg. De sterspeelster hekelt het gebrek aan professionalisme en heeft geen vertrouwen meer in zwembond KNZB. „Ik ben naïef geweest: ik bleef denken dat wij medailles konden halen.”

Misschien is ze als topsporter wel te extreem. Een waterpoloster die in haar hele leven drie keer is wezen stappen – als ze een medaille had gewonnen. Die een leven verkondigt met louter topsport. Die afgelopen seizoen met haar Russische club Shturm Ruza een keer 24 uur in de trein zat naar Wolgograd, voor een uitwedstrijdje. Eerst komt waterpolo, dan komt niets.

Iefke van Belkum (27), olympisch kampioen van Beijing (2008) en nog altijd een van de beste speelsters ter wereld, stopte begin deze maand volkomen onverwacht als international en maakte daarbij gehakt van het beleid van zwembond KNZB. Weer zo’n nietszeggende zevende plaats op een WK, dit keer in Barcelona. „Misschien was het beter geweest als we negende waren geworden. Dan waren ze misschien eindelijk eens gaan nadenken over de vraag waarom we het telkens net niet halen.”

Ze – dat is vooral de bond. Maar ook haar ploeggenoten, die dankzij de klassering bij de mondiale topacht weer even verzekerd zijn van de ‘A-status’, de financiële steun van NOC*NSF.

Maar de nationale sportkoepel subsidieert in haar ogen een nationale ploeg die geen echte topsport bedrijft. „Als je nu in het Nederlands team komt, krijg je een A-status in je schoot geworpen. Misschien krijg je meer gemotiveerde spelers als dat wegvalt. Toen ik begon, hadden we helemaal geen A-status. Ik ging elke dag naar het trainingscentrum in Zeist, kreeg niks betaald, en trainde me de tyfus in de hoop dat het ooit genoeg zou zijn.”

De tranen zijn droog, vier weken nadat ze in Barcelona geëmotioneerd had verteld dat ze voorgoed klaar was met de middelmaat. Dat ze geen enkel vertrouwen meer had in een bond die van jonge talenten geen topsporters kan maken. Het werd haar duidelijk toen de olympisch kampioen van Beijing – vorige week was het vijf jaar geleden – de Spelen van Londen (2012) miste. „Ik merkte dat ik het terecht vond dat we het niet hadden gehaald. Ik dacht: we hebben er ook niet alles aan gedaan, vier jaar lang.”

Het waren talloze kleine en grote zaken die haar irriteerden. Ze kwamen op hetzelfde neer: de ultieme overgave aan de topsport ontbreekt. „Alleen: de speelsters weten het zelf niet, want ze leren niet hoe je als topsporter moet leven.”

Zelf noemt ze zichzelf een van de laatste speelsters van „voor het mobiele tijdperk”. De jeugd van tegenwoordig wil alles, zegt ze. „We willen op Facebook zien waar iedereen is, we willen naar school, stappen. Ik geloof daar niet in. Je moet allemaal maar één ding willen: waterpoloën in Zeist. Veel speelsters staan daar heel anders in.”

Voorbeelden te over. Medespeelsters die in Utrecht gingen wonen om dagelijks te kunnen trainen in het topsportcentrum in Zeist. Tussen de trainingen gauw naar school. De KNZB faciliteert een woning in de binnenstad. Helemaal fout, vindt ze. „Dan kun je niet meer hard trainen. Overdag waren ze te verrot om te trainen, op school vielen ze in slaap. De helft is vorig jaar naar school gegaan, maar in december waren ze allemaal gestopt. Weer een half jaar weggegooid. Er werd zelfs gesproken over aanpassing van de trainingstijden. Dan ga je je topsportprogramma dus aanpassen.”

Het is de hele instelling. Een biertje drinken na de wedstrijd was voor de Beijing-generatie taboe. Officieel vastgelegd en breed gedragen. Tegenwoordig is het bespreekbaar. Of even shoppen na de training, op koopavond. Wat wil je, te midden van alle verleidingen van een studentenstad? „Zet vijf meiden in één huis en het wordt heel lastig om elke keer nee te zeggen bij een feestje. De een moet naar school, de ander is met haar rij-examen bezig. Ik durfde vroeger niet eens mijn coach te bellen om een training af te zeggen. Tegenwoordig doen ze dat bijna via Facebook. Sommige dingen die ik niet normaal vind, zijn normaal geworden.”

Voor Van Belkum is er geen dilemma, al zolang ze waterpolo speelt. „Als je echt wilt winnen, moet je alles uitsluiten. Je bent 24 uur per dag topsporter, niet acht uur. Je moet gewoon elke dag in Zeist zijn. Geef iedereen een kamer naast het zwembad en doe de deur op slot. Natuurlijk is daar geen reet te beleven. Maar je hebt toch samen een doel? Bij de nationale ploeg trainen een paar jongeren parttime mee, vanwege school. Maar die moeten er straks liggen, in Rio. Eerst even twee jaar naar school, en daarna heel hard trainen voor Rio? In al die andere landen trainen die meiden gewoon vijftien jaar.”

Toch verwijt Van Belkum haar teamgenoten niets. „Ze trainen echt keihard. Maar als ik over dit soort dingen sprak, zagen ze het probleem niet eens. Dus het heeft te maken met je opleiding als topsporter. Dat neem ik de KNZB kwalijk.”

Het gebrek aan professionalisme maakte Van Belkum soms razend. Twee weken voor het WK in Barcelona moesten vier speelsters in Utrecht verhuizen naar een andere woning van de bond. „Die liepen dozen te sjouwen, kasten te verplaatsen. Ja sorry, even serieus: vlak voor een WK! Ik heb gezegd dat ik het belachelijk vond, echt belachelijk. Je moet uitrusten, geen kasten sjouwen.”

Door een gebrek aan topsportvisie maakt de KNZB al in de opleiding cruciale fouten, vindt Van Belkum. Mede om financiële redenen besloot de bond de jeugdploeg onder 21 jaar deze maand niet naar het WK in het Griekse Volos te sturen. „Hoe kun je nou verwachten dat die meisjes over twee of drie jaar beter zijn dan al die Spaanse, Hongaarse en Griekse meisjes die daar wel zijn geweest? Als je dat denkt, hou je jezelf voor de gek. Bovendien hebben die meisjes een heel jaar voor niks getraind, waardoor ze andere keuzes gaan maken – naar school, bijvoorbeeld. Weer een jaar waarin je niet beter wordt. Een jeugd-WK afzeggen vind ik zó’n beleidsstatement. Het was in Griekenland, niet in Amerika. Desnoods pak je de auto, je moet gewoon spelen.”

Tegen die achtergrond verbaast het Van Belkum niet dat Nederland na het mirakel van Beijing nog één keer brons haalde, op een EK (2010). „Het is niet lullig bedoeld, maar wij hebben alleen goud gewonnen. Natuurlijk ben ik daar hartstikke trots op, maar het was bijna per ongeluk. We hadden een topteam, hadden alle prijzen kunnen winnen. We hebben de grootste competitie ter wereld, maar we spelen niet eens om de medailles en de toppers stoppen allemaal op hun 27ste. Dan doe je iets fout. Misschien moet het Zeist-model wel op de schop. De bond zou eens moeten kijken naar dat topsportprogramma: tien jaar, hartstikke veel geld, twee medailles. De technisch directeur [Kees van Hardeveld, red.] zit daar al meer dan tien jaar. Blijkbaar doet hij het goed. Van mij hoeft hij niet weg, maar ik denk wel dat een reorganisatie in het waterpolo hard nodig is.”

Van Belkum verwacht niet dat ze zelf ooit nog terugkeert. „Ik heb er geen vertrouwen meer in dat het verandert, daarom ben ik gestopt. Ik ben ook naïef geweest: ik bleef tot het olympisch kwalificatietoernooi voor Londen denken dat wij medailles konden halen.”

Nadat ze in Barcelona voor het eerst fel had uitgehaald, werd ze naar eigen zeggen alleen maar bevestigd. Bondsdirecteur Jan Kossen suggereerde die avond in een berichtje aan het ANP een verband tussen de grieven van Van Belkum jegens de KNZB en de positie van haar partner, Koen Plasmeijer. Die had in het verleden een jaarcontract bij de bond als jeugdtrainer, maar is nu onbezoldigd assistent-coach bij Jong Oranje.

Van Belkum moet er vooral om lachen. „Koen is al vier jaar elke dag bij Jong Oranje, als vrijwilliger, omdat hij het veel te leuk vindt. Wat dat betreft is hij net zo’n idioot als ik. Het ergste van die suggestie was dat hij niet in Barcelona kon blijven omdat hij aan het werk moest voor bij Jong Oranje. Blijkbaar weet de bondsdirecteur niet eens wie er voor de KNZB werken.”

Kossen had beter kunnen zeggen dat Van Belkum een slecht WK had gespeeld. „Dat was zijn goed recht geweest. Ik heb in die tien jaar nooit een slecht toernooi gespeeld, behalve nu. Dat komt omdat ik het eigenlijk niet zag zitten. Ik had me daar overheen moeten zetten, of niet moeten spelen, maar dat is nu te laat.”

Een kleine maand na Barcelona is Van Belkum „vooral heel erg opgelucht” dat het voorbij is na tien jaar Oranje, met zo’n driehonderd interlands op haar naam. „Het is mooi geweest. Als ik was doorgegaan, had ik het mezelf onnodig zwaar gemaakt. Ik kan weer gaan genieten van waterpolo, bij mijn club ZVL. Een week na Barcelona dook ik daar weer het zwembad in. Gewoon, omdat ik waterpolo zo leuk vind.”