Goede mensen

Het enige wat het kwaad nodig heeft om te overwinnen is dat goede mensen aan de kant blijven staan – jarenlang gonsde dit citaat, toegeschreven aan de conservatieve icoon Edmund Burke, door praatshows, toespraken en opiniestukken. Het klonk fantastisch. Het was precies waar de tijd om vroeg: er komt een moment dat je niet langer kunt wegkijken, soms moeten de handschoenen uit. Stop het laffe meebuigen, weg met de angst om op te komen voor waar je in gelooft. Het was de taal van grote mannen – Churchill, Kennedy, Arend Jan Boekestijn.

Nu zijn we er niet zo zeker van. Wat als goede mensen alleen nog maar meer kwaad veroorzaken? Wat als het geen keuze tussen goed en kwaad is, maar tussen slecht en slecht? En wat als die goede mensen helemaal niet zo goed zijn?

Geen wonder dat niemand het citaat in het werk van Burke kan terugvinden.

In het debat over militair ingrijpen in Syrië heb ik het niet langs zien komen. De beste opiniestukken over dit dilemma eindigen allemaal in een akelige patstelling – je kunt niet niets doen, maar alles wat je doet zal verkeerd uitpakken. Het gebruik van gifgas tegen de eigen burgers is onvergeeflijk, je kunt bij zoiets niet op je handen blijven zitten. Maar de gevolgen zullen desastreus zijn. Iedereen weet nu wel dat het ineenstorten van een totalitair regime zelden of nooit een glanzende democratie oplevert – niet in Joegoslavië, niet in Irak, niet in Egypte en niet in Rusland. Ingrijpen in de burgeroorlog in Syrië schept nog weer een bloederig moeras in het Midden-Oosten. Een kettingreactie is niet uitgesloten. Zoals George Packer donderdag in deze krant schreef: „Lieve God, dit lijkt augustus 1914 wel.”

De onmogelijke positie waarin Obama zich heeft gemanoeuvreerd laat zien hoe krachteloos het geloof in humanitaire interventie is geworden. Het is niet de bedoeling dat de aangekondigde acties ook maar iets aan de situatie in Syrië zullen veranderen, hoezeer Obama er ook de schijn van politieke noodzakelijkheid aan probeert te geven – geen verandering van regime, geen lange interventie, geen versterking van de rebellen.

Het is daadkracht als gebaar. Of zoals het satirische Borovitz Report in The New Yorker kopte: OBAMA BELOOFT DAT AANVAL OP SYRIË GEEN DOEL HEEFT.

Wellicht krabbelt Amerika terug, of laat men zich opgelucht dwarsbomen door de Veiligheidsraad. Hoe dan ook, Obama’s nederlaag zal worden voorgesteld als een nederlaag van het naïeve politieke idealisme – we moeten iets doen! – tegenover een sceptisch realisme – alles wat we doen, maakt het alleen maar erger. Donald Rumsfeld, dat monster van politiek cynisme, nam deze week al een voorschot.

Maar dat het Midden-Oosten een brandhaard is geworden, is bepaald niet het gevolg van een naïef-idealistische buitenlandpolitiek van de grote mogendheden. De dictators, het inmiddels volslagen virtuele „vredesproces”, het islamitische terrorisme en de gebrekkige politieke infrastructuur zijn voor een belangrijk deel het gevolg van uit de hand gelopen machtspolitiek.

Obama’s morele ontzetting over de gifgasaanval doet denken aan hoe de Amerikaanse superrijken de wereld verbeteren – om zo buitensporig rijk te worden zijn alle middelen toegestaan, je kunt investeren in welke dubieuze handel dan ook; maar zodra je binnen bent, is het tijd om de wereld stukje mooier te maken. Mijn halve vermogen om aids uit te roeien, scholen voor de kansarmen, gezond voedsel voor iedereen!

Hadden die rijken de wereld niet kunnen verbeteren terwijl ze rijk werden?

Zo is het met de buitenlandpolitiek. Eerst volledig en nietsontziend eigenbelang nastreven, dan, als de marionetten hun touwtjes hebben doorgeknipt en de lokale bevolking in opstand komt, fel voor de mensenrechten opkomen.

Wat te doen? Niets doen? In Nederland probeert het kabinet tijd te winnen door het voor te stellen alsof ingrijpen afhangt van de bewijsvoering. En een mandaat van de Veiligheidsraad, dat er door China en Rusland niet zal komen. Daarmee wordt de ethische discussie weggeparkeerd.

Maar hoogstwaarschijnlijk is het voor discussie gewoon te laat. De gifgasaanval in Syrië is een teken aan de wand. Niet zozeer omdat een oud moreel taboe op een gruwelijke manier is geslecht, maar omdat het laat zien dat Assad vast van plan is zijn adagium, de dood of de gladiolen, tot het bittere einde in praktijk te brengen. Als dat waar is, en er zijn geen tekenen van het tegendeel, dreigt in Syrië een kleine holocaust. Dan zal ingrijpen binnenkort nog steeds vreselijk onverstandig, maar domweg onvermijdelijk zijn.