Een wonder: dat er niet meer Mohammed B.’s zijn

Nederlanders bibberen graag over de islam, om zichzelf beter te voelen. Gevolg: wie hier als moslim geboren is, wordt nooit een kwartje. Ondertussen houden de moslims zich koest, aldus Abdelkader Benali.

Illustratie Sebe Emmelot
Illustratie Sebe Emmelot

Drie jaar geleden schreef ik voor The Guardian een persoonlijk verslag over de oprukkende xenofobie in Nederland. Wilders kwam aan de macht. Mijn verhaal raakte een gevoelige snaar. Ik beschreef hoe ik Nederland van een open, kosmopolitisch land dat vreemdelingen omarmt zag veranderen in een land dat bang wil zijn voor vreemdelingen. Mijn Nederland was in verwarring.

Werd dertig jaar geleden de eigen nationale identiteit met scepsis bezien en de culturele identiteit van nieuwkomers omhelsd, met de opkomst van het parvenu Pim Fortuyn, die de kritiek op allochtonen salonfähig maakte, en de moord op Theo van Gogh kwam daar een scherpe kentering in. Het werd eigen volk eerst. Wie hysterisch waarschuwt dat we de eigen identiteit verwaarlozen, de eigen cultuur te grabbel gooien en dat de barbaren aan de poort staan, kan op hysterische bijval rekenen in de publieke ruimte. In de tussentijd gaat het kiften op migranten onverdroten door. De conclusie van die Xassandra’s luidt dat er met ons niks mis is (want we houden vast aan wat van ons is). Het recept om de eigen cultuur weer levenskracht te geven is door stevig en dominant naar islamieten te communiceren dat ze zich aan onze regels moeten houden en het liefst ook al onze cultuurproducten kritiekloos moeten aanvaarden.

Dit krachtige recept twee maal daags toegepast zal ervoor zorgen dat de Hollandse Leeuw nog voordat ‘foei’ is gezegd weer zijn vertrouwde stoere plaats kan innemen op het wereldtoneel. Het provincialisme spat van deze benauwende opstelling af. En we zijn er nog lang niet klaar mee. De publieke intellectueel Thierry Baudet komt eerdaags met een uitgewalst essay over de Hollandse zelfhaat, want daar ligt het ware probleem. De Nederlander haat zichzelf. Hij is bang voor zijn eigen identiteit op te komen.

Ik verwacht volle zalen voor de overspannen ketelmuziek van Baudet, want Nederland heeft ervoor gekozen om bang te zijn voor het vreemde. En die angst voelt goed: wie een duidelijk vijandbeeld heeft is een stuk gedrevener. Dat angst de ziel opeet en een vals idee oplevert van de wereld waarin we leven is voor later zorg. Nu eerst even lekker bibberen in het donker.

Een terugkerend commentaar op mijn stuk voor The Guardian was dat ik als schrijver met een Marokkaanse achtergrond geen objectief oordeel kon vellen over de multiculturele samenleving. Ik proefde in die kritiek een verwijt. Ik zou de angst die mensen voelen voor de massamigratie niet kunnen invoelen omdat ik zelf een kind van die migratie ben. Mij ontbrak empathie. De angst ging aan me voorbij.

Met de financiële crisis van 2008 leek de angst voor moslims te verschuiven naar de angst voor een totale meltdown. Nu de economie weer wat aantrekt, lijkt die luwte ook alweer voorbij. Het onderzoek van Motivaction naar de thema’s waarop de goede burgers van Nederlanders angst voelen, laat zien dat de angst voor moslims weer in volle glorie is teruggekeerd. Meer dan zestig procent van de ondervraagden heeft ernstige zorgen over de invloed van de islam. De andere thema’s als gezondheidszorg, de stand van de economie en natuur scoren ook hoog op de angstladder, wat de indruk wekt dat Nederland onder een continue angstterreur geeft.

Toch is de angst voor de islam een vreemde eend in de beet in het rijtje. Angst voor de economie vult iedereen op zijn eigen manier in. Angst voor een natuurramp in de vorm van een tsunami wordt al wat concreter. Maar er is niks concreters te verzinnen dan de acceptatie van elkaar. Wat hier wordt gemeten is de angst voor mede-Nederlanders die men op dagelijkse basis tegenkomt, op kantoor, in scholen en ziekenhuizen, wat tot de vraag leidt wat mensen die zich zo’n zorgen maken over moslims dan doen om die moslims tegemoet te treden? Of worden die moslims ontweken? Waar contact is ontstaat wrijving en op de lange duur gewenning en uiteindelijk acceptatie waardoor angst geen kans meer krijgt. De uitslag van de angstmeting laat zien dat dit niet het geval is. Het contact stagneert. We leven met elkaar vanuit een kramp. Als samenleving falen we collectief.

En op die kramp spelen de Baudets van deze wereld in. Er is een heuse angstindustrie ontstaan. Soms kom ik miniuitvoeringen van Thierry Baudet tegen. Flinke, gezonde jongens met een scherpe kijk op de zaak.

Tijdens mijn vakantie in Bosnië sprak ik met een jonge, Nederlandse antropoloog gespecialiseerd in het salafisme. Het werd een ongemakkelijk gesprek, al was het maar omdat hij bij onze eerste ontmoeting voor de vakantiehuisjes studentikoos uitriep: „Hier ook al Marokkanen.” De prijs van beroemd zijn. Het gesprek met hem was interessant. Het ging in de kern over het voelen van de angst van de ander, in dit geval de angst die iemand wel of niet kan voelen voor het salafisme – de meest geharde, fundamentalistische en achterlijke vorm van de islam die alles haat en afkeurt wat maar een beetje zweemt naar soefisme, andersdenkenden, traditie, geschiedenis en liefde.

Ik weet dat het salafisme in plukjes voorkomt in islamitisch Nederland, maar ik wil niet zo ver gaan als concluderen dat deze geloofstak de overwegend gematigde islam zal verzwakken. Mijn gesprekspartner was een andere mening toegedaan. Hij vond de extremistische islam niet alleen interessanter dan de gematigde islam – waarom zou hij anders er zoveel tijd en moeite in steken om met salafisten af te spreken om samen met ze te gaan joggen, in zijn vrije tijd nota bene – hij vond ook dat de salafisten een gevaar opleverden voor de Nederlandse rechtstaat. Ondertussen begreep ik ook dat hij moest leven van de angst: zijn expertise wordt door de gemeente afgenomen, alles gaat uurtje, factuurtje al weet ik niet of hij ook dat joggen declareert. Hij had er een belang bij om die angst levend te houden.

Hij vertelde me ook leuke weetjes over de wijze waarop Nederland islamitische probleemjongeren aanpakt. Salafisten worden in Nederland scherp in de gaten gehouden. Op de dag dat salafisten willen demonstreren bellen de mannen van de AIVD aan bij de salafisten om navraag te doen naar hun plannen voor de dag. Een huisbezoekje dat rakelings langs de vrijheid van meningsuiting scheert.

Omdat ik zijn angst niet erkende en ertegenin ging, raakte ons gesprek in een impasse. We gingen uit elkaar en kwamen een dag later op het onderwerp terug. Ik had wat over zijn analyse nagedacht. In zijn optiek was er binnen islamitisch Nederland veel onvrede onder jongeren die in potentie tot gevaar kon leiden. Ik verbaasde me er juist over dat er binnen de islamitische gemeenschap niet of nauwelijks uiting wordt gegeven aan de woede die er is over de uitzichtloze positie. „Moslims in Nederland behoren tot de onderklasse. Hier is sprake van een sociaal probleem.” Hierop was de antropoloog het volmondig met me eens. „Dat zijn ze ook.” Ver weg van Nederland konden we het nergens anders over eens behoren behalve het tamelijk deprimerende punt dat wie als moslim geboren is nooit een kwartje kan worden. Een groep mensen die nauwelijks tot niet in contact komt met de rest van Nederland.

In alle lijstjes rond werkgelegenheid, scholing, huisvesting en uitkeringen scoren moslims ronduit slecht. De onderzoeken naar discriminatie van minderheden in Nederland, uitgevoerd door de Anne Frank-stichting, bewijzen elk jaar dat moslims de meest gehate en meest aangevallen minderheid vormen. Het is het wonder van de Nederlandse verzorgingsstaat dat er niet meer Mohammed B.’s rondlopen. Er niet meer Nederlandse vlaggen worden verbrand. Er niet een school is gegijzeld. De moslims houden zich in Nederland koest. Hoewel de islam een beroep doet op de eigen vermogens om de maatschappij te veranderen, houdt dit op het persoonlijke plan niet over. De paar echte fanatiekelingen zijn meestal bekeerde Nederlanders die zich zo inlikken bij hun allochtone broeders. Ze roepen hun broeders op massaal naar Syrië te trekken waarna ze op drie hoog achter in de Haarlemse Schalkwijk een halalhamburger met veel smaak opeten.

De antropoloog en ik gingen zonder gezamenlijke conclusie uit elkaar. Voor hem was er sprake van gevaar, voor mij was er te weinig sprake van gevaar om echt in het geweer te komen. Ik snapte toen ook waarom in het onderzoek de angst voor moslims relatief stabiel blijft. We kunnen het niet eens worden over waarvoor we bang zijn en uit angst een gek figuur te slaan blijven we bij elkaar uit de buurt.