Een iPad is geen Steen der Wijzen

‘Vaardigheden van de 21ste eeuw’ worden ze genoemd: problemen oplossen, kritisch denken en werken met computers. Maar voegen zulke leerdoelen iets toe aan taal, rekenen en wereldoriëntatie?

Foto Robin Utrecht
Foto Robin Utrecht

Het intensieve gebruik van de iPad in de klas kreeg vorige week veel aandacht in de berichtgeving over de eerste schooldag op zeven nieuwe Steve Jobs-scholen in Nederland. Een andere, misschien nog belangrijker vernieuwing op de nieuwe scholen bleef onderbelicht: de centrale rol die ‘vaardigheden van de 21ste eeuw’ krijgen in deze nieuwe onderwijsvorm.

Naast de verplichte kerndoelen willen de Steve Jobs-scholen kinderen vaardigheden bijbrengen zoals samenwerken, kritisch denken, probleemoplossend vermogen en werken met computers. De zogeheten Sterrenscholen werken al enkele jaren met een vergelijkbaar onderwijsconcept. Maar wat is dat eigenlijk, probleemoplossend vermogen? Wat betekent het om kritisch te leren denken? En voegt het aanleren van dergelijke vaardigheden iets toe aan het wettelijk verplichte standaardpakket van 58 kerndoelen op het gebied van rekenen en taal en wereldoriëntatie?

Het belang van het aanleren van de nieuwe vaardigheden wordt uitgedragen door een brede alliantie van ’s werelds grootste computerbedrijven (Microsoft, Apple), internationale organisaties (Europese Unie, OESO, Verenigde Naties) en nationale overheden. Dat blijkt uit een inventarisatie van 32 rapporten over 21th century skills van onderwijsonderzoeker Joke Voogt (Universiteit Twente).

Dat computervaardigheden belangrijk zijn op de arbeidsmarkt, nu en in de toekomst, valt te onderbouwen met wetenschappelijk onderzoek van economen. Het nut van het aanleren van ruim gedefinieerde vaardigheden als ‘kritisch denken’, of ‘probleemoplossend vermogen’ is wetenschappelijk niet aangetoond. Integendeel.

De Amerikaanse psycholoog Nathan Kuncel (Universiteit van Minnesota) heeft laten zien dat standaardscores op taal- en rekentests voor middelbare scholieren latere prestaties op de universiteit en de arbeidsmarkt goed voorspellen (Science, 2007). Dat geldt volgens Kuncel nu juist niet voor de ruimer gedefinieerde ‘21th century skills’. „Het ligt daarom niet voor de hand om dit soort vaardigheden hoger aan te slaan dan basale vaardigheden zoals lezen en rekenen”, legt Kuncel uit.

De nieuwe vaardigheden zijn volgens Kuncel zelfs zo algemeen gedefinieerd, dat ze weinig betekenis hebben: „Kritisch leren denken is een vaardigheid die iemand kan opdoen wanneer hij veel kennis verwerft op een bepaald vakgebied”, aldus Kuncel. „Wat wij de ontwikkeling van kritisch denkvermogen noemen is in werkelijkheid de ontwikkeling van expertise. Expertise is heel domeinspecifiek. Je moet er hard voor oefenen en je hebt er een mentor voor nodig. Mensen die net een nieuw beroep hebben geleerd hebben over het algemeen weinig expertise. Beginnende verpleegsters hebben nooit ongewone gevallen gezien en aankomende accountants begrijpen niet precies hoe de financiële administratie van organisaties in elkaar steekt.”

Domein

Expertise, en daarmee probleemoplossend vermogen, ontwikkelt zich met de jaren. En alleen op het eigen vakgebied, dus binnen een specifiek domein.

De Amerikaanse onderwijspsychologen Richard Mayer (Universiteit van Californië in Santa Barbara) en zijn intussen overleden collega Merlin Wittrock (UC Los Angeles) schreven in het Handbook of Educational Psychology (2006) een veel geciteerde studie over probleemoplossende vaardigheden. In deze studie staat het begrip transfer centraal: toepassing van kennis uit het ene vakgebied op een ander domein. Volgens sommige definities is transfer al gerealiseerd als een kind de rekenlessen uit de klas toepast in de winkel om uit te rekenen of drop in een kilozak goedkoper is dan in een zakje van 100 gram. Dit lukt vaak al niet, schrijven Mayer en Wittrock, een inzicht dat strookt met de bevinding van Kuncel, dat kennis domeinspecifiek is.

Mayer en Wittrock maken duidelijk dat het streven naar de ontwikkeling van breed gedefinieerde cognitieve vaardigheden een lange geschiedenis heeft. Zo zocht IQ-test-grondlegger Alfred Binet eind 19de eeuw tevergeefs naar methoden om mentale capaciteiten zoals geheugen, aandacht en oordeelsvorming te oefenen en te trainen. Een paar decennia later toonde Edward Lee Thorndike aan dat kinderen die goed scoorden op ‘algemeen vormende’ vakken als Latijn en geometrie het toch niet beter deden op tests voor redeneervermogen en intellectuele ontwikkeling.

Succesvolle voorbeelden van de ontwikkeling van probleemoplossend vermogen beperken zich volgens Mayer en Wittrock over het algemeen tot een specifiek domein. Zo blijkt het automatiseren van basisvaardigheden zoals tafelsommen of optellen en aftrekken nuttig te zijn voor het probleemoplossend vermogen voor rekenvraagstukken. Kinderen lossen die vraagstukken makkelijker op, wanneer zij het benodigde rekenwerk snel en zonder erbij na te denken kunnen uitvoeren. Een mogelijke verklaring is dat er voor het ‘probleem oplossen’ meer ruimte ontstaat in het werkgeheugen als de basale vaardigheden goed worden beheerst.

Met of zonder hulp van digitale middelen, voor Kuncel staat voorop dat het onderwijs probeert zo duidelijk mogelijk aan te geven wat kinderen moeten leren en wat niet. „Als scholen beweren dat ze kinderen problemen leren oplossen raak ik ongerust”, zegt Kuncel. „Want wat voor problemen moeten ze dan oplossen? Laten we praten over de details en niet over algemeenheden. Het klinkt mooi om ouders te vertellen dat je kinderen gaat leren redeneren, maar het is een holle bewering. Als je ze uitlegt dat je logische redeneervormen wilt gaan behandelen, maar basale statistiek wilt overslaan, dan ben je eerlijk en kunnen we discussiëren over wat we kinderen wel en niet willen leren.”