Een goed advies voor een slechte raadgever

Een bondige samenvatting van de uitslag van het opinieonderzoek over angst en paniek, dat vandaag in deze krant is gepubliceerd, komt uit op één overheersend thema: de economie. Geldzorgen, een verslechtering van de eigen financiële situatie en te veel steun aan de zwakke eurolanden voeren de boventoon. Angst en paniek, hoe ook gedefinieerd, zijn het grootst over de manier waarop het kabinet-Rutte II de economische crisis aanpakt, versterkt door ongerustheid over de stabiliteit van dat kabinet zelf.

In die zin weerspiegelt het onderzoek de huidige stand van het consumentenvertrouwen in Nederland, zoals dat wordt gemeten door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat vertrouwen, het spiegelbeeld van angst, bereikte dit jaar het laagste peil sinds het CBS in 1986 met maandelijkse metingen begon.

De vraag is of dit dieptepunt de zwaarte van de huidige crisis weerspiegelt of dat het een blijk is van een structurele vermindering van het vertrouwen onder de bevolking. In de wereldeconomie taant de suprematie van het Westen. We vrezen dat toekomstige generaties het niet langer per definitie beter zullen hebben dan de huidige. Dat de samenleving verhardt in de richting van het model waarin de winnaars alles krijgen en de verliezers niets. Dat sociale vangnet moeilijker betaalbaar wordt, waardoor de mazen groter worden.

Niet voor niets lijkt angst een factor die aan belang wint. Toeval en botte pech worden steeds minder aanvaard. Er moet een oorzaak voor zijn. Waar een oorzaak is, daar is een schuldige. En waar een schuldige is, daar wacht compensatie voor het ondergane leed. Het vermijden van risico’s is inmiddels een industrie geworden. Dat geldt niet alleen voor veiligheidsvoorschriften en -maatregelen. Het gaat ook op voor verzekeringen, de gezondheid en de financiële sector. De grootste schandalen van de afgelopen tijd gaan over stroppen met rentederivaten die juist bedoeld waren om risico’s te elimineren. De Eemshaven voegt zich per vandaag in de groeiende rij van uitglijders.

Doemdenken is op het eerste gezicht een risicoloze propositie. Een negatieve prognose die niet uitkomt logenstraft dan wel de voorspeller, maar omdat de uitkomst beter is dan gedacht, komt die er in de regel makkelijk mee weg. De persistentie van doemdenkers in het publieke debat vindt hier een mogelijke verklaring.

Geen wonder dat de optimist het moeilijk heeft. En toch zullen we het van die laatste moeten hebben. Het ondernemerschap is een drijvende kracht in de samenleving en drager van de welvaart. Ondernemen is per definitie optimistisch, het vergt het nemen van risico’s en plaatst vertrouwen in succes boven de angst voor het falen.

Zijn we die eigenschap aan het verleren? Uit de meeste onderzoeken komt naar voren dat de Nederlander negatiever denkt over de situatie in de samenleving als geheel dan die van hemzelf. Dat is al passend samengevat in de zin: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht.’ Dat blijkt ook op te gaan voor het vertrouwen in de eigen financiële situatie, dat in de regel veel hoger is dan het vertrouwen in de economische situatie als geheel. Bovendien blijkt uit het consumentenvertrouwen dat de economische situatie in het komende jaar in de regel hoger wordt ingeschat dan die van het afgelopen jaar. En ook dat geldt voor de eigen financiën.

Er is dus, ondanks het onbehagen, sprake van een optimistisch potentieel. Hoe dat aan te boren is, in wezen, zélf een kwestie van vertrouwen. In de ondernemingsgeest van de mens, de drang om te scheppen en de hang naar vooruitgang. Vrijheid, van denken en van handelen, ontketent deze eigenschappen vanzelf. Conjuncturele tegenslag heeft niet automatisch een structurele betekenis. Dat het de laatste jaren wat eerder donker werd in de economie, betekent niet we een avondland zijn geworden.