De zon komt op, de angst is voorbij en ik lach erom

De Chinezen komen, het is ieder voor zich en alleen de allerbesten krijgen die begeerde baan. Mijn omgeving geeft me een gedesillusioneerd gevoel, maar eigenlijk ben ik nog steeds die achttienjarige met de wereld aan zijn voeten, schrijft Pieter de Jonge. Zonder angst.

De patatgeneratie, wanneer snel niet meer snel genoeg is! Het is pikdonker en het enige wat ik hoor is mijn eigen versnelde ademhaling. Waar ben ik in godsnaam?

Knijpend met mijn ogen probeer ik me al tastend in het donker te oriënteren. Mijn ogen beginnen de contouren te ontwaren van mijn omgeving en een beklemmend gevoel heeft zich meester gemaakt van mijn maag. Ik heb haast en geen tijd te verliezen; ik moet opschieten; er is al genoeg tijd verspild! In één hand houd ik mijn wetbundel vast, met de andere probeer ik mijn aantekeningen door te bladeren, opzoek naar het antwoord op die prangende vraag. Ik moet het nu meteen weten!

En dan ontwaak ik echt. Plots besef ik wat ik aan het doen ben. Half naakt, alleen een boxershort aan, sta ik nu flauw glimlachend en licht gegeneerd voor mijn Ikea-bureautje. Een snelle blik op de wekker leert dat het pas vijf uur in de ochtend is. Het antwoord op die vraag staat zeker niet opgetekend tussen mijn aantekeningen. Opgelucht en met een diepe zucht ga ik op m’n bed zitten en knip snel een lampje aan. Het was gelukkig maar een slechte droom, maar dat benauwende gevoel van haast is er helaas nog steeds.

Ik krijg opeens een verschrikkelijke zin om te rennen, een rondje singels, om mijn hoofd leeg te maken en in de hoop dat het onbestemde gevoel weggaat. Ik trek mijn sportkleren aan en loop de voordeur uit. De straatlantaarns zijn nog aan. De stilte en eenzaamheid van de verlaten straten geven me een gevoel van rust. Ik begin langzaam te rennen. De slaap nog uit mijn ogen wrijvend, vraag ik me af hoe de tijd zo snel voorbij kan gaan. Inmiddels 24 jaar en nu pas aan het eind van mijn bachelor. Waar is het misgegaan? Waar is al die tijd heen gevlogen?

Ik kan me nog het gevoel van onoverwinnelijkheid herinneren na mijn middelbare school. Diploma op zak, achttien jaar en alle tijd van de wereld. Tijd om naar het buitenland te gaan, om me al schetsend aan de kant van de Arno de nieuwe Michelangelo te wanen in Florence tussen jonge, creatieve medestudenten. Ik was gepassioneerd en bevlogen.

Nu, zes jaar later, geeft mijn omgeving me een gedesillusioneerd gevoel. Cv-building, inhousedagen, business courses, recruiters en extracurriculaire activiteiten en het liefst allemaal binnen vier jaar, want anders kost het te veel geld en tijd. Innovatie, globalisering en concurrentie is wat ons nu moet motiveren.

Want pas op: die Chinezen komen eraan en per slot van rekening zijn we de eerste generatie die het slechter krijgt dan onze ouders. Het is vanaf nu ieder voor zich, want alleen de allerbesten krijgen die baan, waarvan wordt gezegd dat ik hem wil hebben. Mijn leven dendert voort, in sneltreinvaart richting die midlifecrisis met burn-out. Een mistroostig gevoel maakt zich meester van me. Misschien ben ik wel toe aan een sabbatical, om uit te vinden wat ik echt wil of om inspiratie op te doen?

Langzaam komt de zon nu op en een waterig zonnetje begint m’n gezicht te verwarmen. Ik begin te lachen en denk: wat een onzin! Ik verhoog mijn tempo en vlieg door de straten van Leiden. Adrenaline begint te stromen en mijn omgeving raast aan me voorbij. Mijn benen rennen sneller dan ik dacht dat ze me ooit zouden kunnen dragen, en ik lijk wel onvermoeibaar. Minder tijd, meer druk, hogere verwachtingen; geen probleem, ik kan namelijk nog een stuk harder.

Ik denk terug aan Italië en bedenk dat vooral mijn omgeving is veranderd. De wereld, de media, ouders en babyboomers zijn in staat van angst, maar ik niet. Kredietcrisis, moslimterroristen, een hoger eigen zorgrisico, geïndexeerde pensioenen en die verdomde Chinezen. Het zal me allemaal wat.

De wereld ligt aan mijn voeten. Mijn jeugdige onbezonnenheid is er gelukkig nog steeds. Kansen en mogelijkheden genoeg. Ik voel geen angst, misschien een beetje druk. Sprintend, met de zon op mijn gezicht, mijn toekomst tegemoet, denk ik: ‘Weet je wat. Kom maar op!’