‘De minister houdt ons voor de gek’

Vlaams van geboorte, maar al jaren succesvol in Nederland. Lieve Declerq is bestuursvoorzitter van Vitens, het grootste waterleidingbedrijf van het land.

Liever zou ze slapen elke nacht overslaan. Zonde van de tijd. Jammer, dat ze niet zonder kan. Dus slaapt Lieve Declercq (1966) meestal zo kort mogelijk. Van middernacht tot een uur of vijf, zes ’s ochtends. De Vlaamse ligt of zit niet graag stil. Declercq is deze maand een jaar voorzitter van Vitens, het grootste drinkwaterbedrijf van Nederland. Het bedrijf voorziet circa 5,4 miljoen mensen in vijf provincies van water. De energie van Declercq vertaalt zich een ongebreideld enthousiasme voor het bedrijf. „Een prachtproduct”, noemt Declercq drinkwater herhaaldelijk gedurende het interview. Ze is over meer dingen positief. Vitens is een „prachtbedrijf”, „mooi” en er komen werken was een „warm bad”. Over de werknemers zegt ze: ze zijn getalenteerd, ze mogen trots zijn op het bedrijf, ze mogen die trots uitstralen.

Bent u altijd zo positief?

„Ja. Dat is mijn aard, denk ik. Ik zie altijd kansen.”

Gaat er dan helemaal nooit wat mis?

„Nou, ik maak me grote zorgen over de gevolgen van schaliegaswinning voor drinkwater. Het onderzoek dat minister Kamp deze week presenteerde, is gedegen. Maar hoe Kamp er mee omgaat, dat blijft te mager, te algemeen. Tijdens zijn persconferentie heeft minister Kamp één keer het woord drinkwater laten vallen. Ik mis de reële benoeming van welke risico’s schaliegaswinning met zich meebrengt voor het grondwater en welke maatregelen er worden getroffen om ze te beheersen. Door te zeggen dat de risico’s beheersbaar zijn, houdt minister Kamp zijn omgeving voor de gek. Hij wil graag naar schaliegas boren. Maar hij durft niet te zeggen: ik sta ervoor. Dit zijn de risico’s, zo gaan we het aanpakken. Ík zou niet de bestuurder willen zijn die zegt: ik heb nu iets goeds gedaan voor de economie, maar over vijftig jaar hebben we problemen met het drinkwater.”

Is Vitens tegen schaliegaswinning?

„Wij zijn niet voor, en wij zijn niet tegen. Ik vind het belangrijk dat te zeggen. We vinden niks over schaliegas vanuit economische gronden. Maar wel vanuit de gevolgen voor grondwater. Ik zie het als de taak van Vitens de drinkwatervoorziening voor de komende twintig, vijftig, zelfs honderd jaar veilig te stellen.”

Wat zijn uw voornaamste bezwaren?

„Die zijn breed. Hoe zit het met de watervoerende lagen? Het afvalwater dat wordt opgeslagen in tanks, is daar een goed beeld van? Wat gebeurt er als een schacht breekt? Wat gebeurt er als er over zoveel jaar een ramp is, problemen met het drinkwater? Wie gaan we dan aanspreken? Wie gaat dat dan betalen? Op die vragen heb ik geen antwoord gezien. Ik vind: weet héél zeker dat je schadeloos kunt boren.

Je kunt namelijk geen pijltje onder de grond zetten. Verontreiniging links, en grondwater rechts. Zo werkt dat niet, water stroomt. Door allerlei lagen heen. We halen het meest kostbare, hetgene waar wij van leven, uit de grond. Het lijkt soms alsof dat wordt vergeten. In dit land kan babyvoeding met water uit de kraan aangemaakt worden. Dat is toch fantastisch? Zúlk zuiver water komt er uit de kraan.”

Bent u door het ministerie gevraagd naar uw bezwaren?

„We zijn niet betrokken geweest in het onderzoek. Dat is bijzonder. Er gaat iets heel belangrijks gebeuren in de ondergrond en Vitens is niet uitgenodigd mee te denken.”

Teleurgesteld?

„Ja. Ik vind dat de ministeries er rekening mee hadden moeten houden. Ze hadden zich moeten afvragen: wie is er in Nederland kenner op het gebied van drinkwater? Dat is een bedrijf als Vitens. Wij zijn al 150 jaar actief in de ondergrond. Ik snap echt niet waarom Kamp ons niet gevraagd heeft.”

Maar het bedrijf is in het verleden niet altijd zichtbaar geweest.

„We leven nu. Nu doen we het goed, we zoeken het debat op. Het is te gemakkelijk om te zeggen: toen ging het niet goed. Ik was er niet bij. Wat mensen zeggen over mijn voorgangers, daar haal ik mijn schouders over op. Dat is weer dat positieve van mij, hè.”

Wat gaat u nu doen?

„We hebben minister Kamp een uitnodiging gestuurd om eindelijk met ons aan tafel te gaan zitten. We willen geen roepende in de woestijn zijn. En we doen zelf ook onderzoek.”

Kunt u de boringen in uw wingebied op enige wijze tegenhouden?

„Nee. In juridische zin kunnen we de boringen niet tegenhouden.”

Is schaliegas wel uw grootste zorg wat betreft de kwaliteit van het drinkwater?

„De drukte in de ondergrond vind ik zorgwekkend. Er is steeds meer interesse voor dat deel van de aarde. Vijftien jaar geleden waren waterbedrijven de enigen die iets in de ondergrond deden. En in het noorden was er gaswinning. Maar dat was het. Nu vindt daar ontwikkeling plaats. Er gebeurt veel: warmtekracht, opslag van CO2, aardwarmte, opslag van kernafval. Dat is prima, dat is een economische ontwikkeling die niet tegen te houden is. Maar let er op dat het unieke goed van het grondwater niet wordt verstoord. Voor de komende vijftig jaar hoeven wij ons geen zorgen te maken over de beschikbaarheid van het water, wel over de kwaliteit.”

Declercq praat graag, en veel. Haar stem verraadt dat ze uit Vlaanderen komt. Al woont ze al geruime tijd in Nederland.

Het is werk dat haar hier bracht: hier maakte ze carrière. Maar ze verhuisde óók voor de liefde. Haar man ontmoette ze tijdens een vakantie in Knokke. „Aan de kust, heel romantisch.” Hij komt uit Groningen, zij uit Aalst in België. Nu wonen ze in Hooge Zwaluwe: dat is soort van in het midden. Ze komt nog steeds in België; daar wonen haar ouders en drie zussen. Met één van haar zusjes – Declercq is de oudste van de vier – bezoekt ze regelmatig de opera in Brussel.

Voor haar overstap naar Vitens werkte ze tien jaar bij glasverwerkingsbedrijf Maltha. Onder haar leiding groeide het bedrijf uit tot een internationale onderneming met meerdere fabrieken: in Hongarije, in Frankrijk, en in Portugal. Ze hielp het bedrijf op orde te krijgen, zegt ze. „Het voelde alsof het mijn eigen onderneming was, maar dan zonder mijn eigen geld.”

Ze is gevraagd bij het drinkwaterbedrijf te komen werken om een cultuurverandering teweeg te brengen, vertelt Declercq. „Het was een bedrijf dat uitblonk in plannen. Ik heb gezegd: stop met beleid maken, stop met die regiegroepen en stuurgroepen. In het begin stuurde ik beleidsnotities terug omdat daarin stond dat ze beleid moesten maken. En dan zei ik: wat is je besluit, wat gaan we dóén? We moeten van Vitens een onderneming maken. Weliswaar één in publieke handen, maar we moeten ons wel gedragen als een onderneming.”

Hoe doet u dat?

„Voorheen werden waterleidingen bijvoorbeeld gerenoveerd als ze een bepaald aantal jaren oud waren. Of er werd automatisch meegedaan met reconstructies van gemeentes. Nu brengen we veel nauwkeuriger in kaart waar en waarom we investeren in leidingen. Er heerste hier het idee dat het bedrijfseconomische niet samen kon gaan met het maatschappelijke. Maar dat kan juist wel.”

Wist u tot vorig jaar iets van drinkwater?

„Nee.” Ze lacht. „Helemaal niets. Een maand lang heb ik mij verdiept in het bedrijf. Ik heb productiebedrijven bezocht, ben met monteurs en met projectleiders meegegaan. Ik ben overal gaan praten en heb me alle processen laten uitleggen.

Het snijvlak tussen industrie en commercie interesseert mij; ik heb daar altijd op gewerkt. Het interessante aan de industrie is dat er iets wordt gemaakt, dat er machines bij zijn. Het is een beetje stoer, dat er techniek bij komt kijken.”

Het is ook een mannenwereld.

„Er werken bij Vitens veel mannen, ja. Bij mijn vorige werkgever ben ik tien jaar lang de enige vrouw in de top veertig geweest.” Lachend: „Het enige verschil is dat ik makkelijker een rok kan dragen dan de mannen. Een man-vrouw stempel, daar geloof ik niet zo in. We zijn allemaal mensen. Er zijn harde mannen en harde vrouwen, zorgende mannen en zorgende vrouwen.”

Wat bent u zelf?

„Je moet mij niet vragen wat je moet doen. Je moet mij vertellen wat je gedaan hebt. Als iemand een afspraak met mij maakt, dan ga ik er van uit dat diegene weet waarom hij die afspraak met mij maakt. Dat hij verstand heeft in zijn kop, hè. Dat mensen denken: ik heb verantwoordelijkheid. En als iets niet gelukt is moet ik aan Lieve uitleggen wat ik er aan gedaan heb.”

Is dat niet typisch Nederlands?

„Dan kom ik wel een beetje in clichés terecht. Natuurlijk zijn er verschillen tussen Nederlandse en Belgische bedrijven. Maar Vitens is niet per se een typisch Nederlands bedrijf. Vitens is Vitens.”

Dat u als Belg leiding geeft aan een Nederlands bedrijf, dat doet er dus niet zoveel toe?

„Nou, wij Belgen hebben wel een soort charme dat hier goed landt. En Belgen hebben over het algemeen een hoog adaptief vermogen. Wij zijn een land dat altijd overheerst is door allerlei soorten culturen. Ik denk dat dat nog steeds doorwerkt. Ik spreek makkelijk talen, weet wanneer ik mij aan moet passen en wanneer niet.

Voorheen deed ik internationaal veel zaken. Dan was ik soms twee, drie dagen niet thuis. Dat is wel heerlijk, aan werken bij Vitens. Ik ben elke avond thuis.

Toch maar eens langer gaan slapen dan?

„Ik heb altijd gewerkt, daar heb ik geen last van. Al heb ik ook een sociaal leven, hoor. En een normaal gezinsleven.”