Dansen, drinken, jongens

Een zomervakantie met zes vriendinnen naar een Grieks eiland ontaardt in een drama als één van hen verongelukt. 25 jaar later keert schrijfster Judith Koelemeijer terug naar het eiland.

Judith Koelemeijer: „Toen ik de eerste zin had – ‘ik weet niet of ik ooit zal begrijpen wat er die nacht gebeurd is’ – kwam de rest vanzelf.”
Judith Koelemeijer: „Toen ik de eerste zin had – ‘ik weet niet of ik ooit zal begrijpen wat er die nacht gebeurd is’ – kwam de rest vanzelf.” Foto Merlijn Doomernik

Anderhalve minuut na het afgesproken tijdstip komt Judith Koelemeijer (1967) haastig aanlopen. „Sorry, sorry. Heb ik je laten wachten?” We zijn in Huize Frankendael, voorheen een buitenplaats in de Amsterdamse Watergraafsmeer. We gaan het over haar nieuwe boek hebben, Hemelvaart. Maar eerst bestelt ze een boterham met kaas, het eenvoudigste gerecht op de menukaart.

Hemelvaart is weer non-fictie, net als Het zwijgen van Maria Zachea, het boek waarmee ze beroemd werd. Dat ging over haar vaders familie in Wormer, maar las als een portret van naoorlogs Nederland: het harde werken in de jaren vijftig, de opstandigheid in de jaren zestig. Nu gaat het over haar vriendin Annette Sierhuis uit West-Knollendam, die op haar twintigste dodelijk verongelukte. Het is het verhaal van haar eigen generatie: geboren in vrijheid en blijheid, volwassen geworden in een tijd van jeugdwerkloosheid en Kruisraketten Nee.

Een horrorverhaal. Zes meisjes gaan na hun eindexamen, in 1985, met vakantie naar de Grieks Cycladeneilanden en vieren daar drie weken lang elke nacht feest. Dansen, drinken, jongens. De laatste nacht, op het eiland Paros, vinden vier meisjes het genoeg geweest. Zij gaan terug naar de camping, slapen. Maar Annette weet niet van ophouden en Judith, twee jaar jonger, laat zich meeslepen. Tegen de ochtend stappen ze, zonder helm, achterop de motor bij een paar jongens. Een van hen weet nog ergens een bar die open is.

Judith is er niet bij als de motor waar Annette op zit van achteren wordt aangereden. Ze ziet even later wel de gevolgen: haar vriendin die plat op haar buik op de behandeltafel van de dorpsdokter ligt. In de laadbak van een pick-up wordt Annette naar een sportveldje midden in het dorp gereden: daar kan de helikopter landen die haar naar een ziekenhuis in Athene moet brengen. De helikopter komt niet en om kwart over acht in de ochtend sterft ze, terwijl uit de kerk het monotone gezang van een mannenkoor klinkt. Het is 15 augustus, Maria Hemelvaart.

In het boek reconstrueert Judith Koelemeijer 25 jaar later wat er die nacht gebeurd is en hoe het de betrokkenen daarna vergaan is. De jongen die het ongeluk veroorzaakte, een student uit Hannover, blijkt te zijn vervolgd en bedreigd met celstraf.

Op een van de eerste bladzijden vraag je je af of het deugt wat je gedaan hebt.

„Omdat ik me afvroeg of ik de andere betrokkenen wel lastig kon vallen met dit pijnlijke verleden. En ik schrijf over iemand die er zelf niets meer over kan zeggen. Ik gebruik het schriftje waarin Annette de dag voor het ongeluk heeft zitten schrijven, 54 bladzijden. Van haar moeder kreeg ik een multomap met dagboekaantekeningen van de maanden voor onze vakantie naar Griekenland.”

De allereerste versie van het boek schreef je al in de weken na het ongeluk.

„Dat was geen boek, dat was een schrijfsel. Ik woonde net in Baarn, want daar was ik begonnen aan de opleiding inrichtingswerk aan de Jelburg. Dat was een academie voor educatieve arbeid en muzisch-ludische vormgeving. Daar zat ik dan, in mijn eentje op mijn kamer, net een paar dagen terug uit Griekenland. Nu zou je zeggen: getraumatiseerd. Maar daar had je het in die tijd niet over. Niet dat ik dat erg vind, zo was het gewoon. Ik moest die vleermuizen in mijn hoofd kwijt en toen heb ik alles opgeschreven in de vorm van een lange brief aan Annette, heel pathetisch. In de jaren daarna ben ik vaak naar Griekenland teruggegaan, ik heb er maanden rondgezworven, en al die ervaringen bij elkaar noemde ik mijn Griekenlandverhaal. Ik had wel het idee om er ooit nog eens wat mee te doen, maar pas na Anna Boom...” – dat was haar tweede boek – „... dacht ik: nu kan er maar één boek het volgende zijn en dat is het boek over Annette. Ik ben naar haar ouders gegaan, haar moeder leefde nog. Ze zeiden: heel graag. Ik had niet tien jaar eerder moeten komen, zeiden ze. En ik had er niet tien jaar eerder aan moeten beginnen. Ik had mijn ervaring als schrijver nodig, de afstand in de tijd. Ik ben niet meer echt jong. Ik neem mezelf niet meer zo ernstig.” Spottend lachje. „Dat is een gebrek van de jeugd: dat je jezelf zo ernstig neemt.”

Je hebt jaren aan het boek gewerkt.

„Ja, ik doe er altijd lang over. Het kost veel tijd, ik heb ook een gezin en ik geef les. En ik schrijf slechte eerste versies.”

Wat was er slecht aan deze eerste versie?

„Het ging veel te veel over mezelf, over al die onzekerheden die je als puber hebt. Ik dacht: de lezer moet toch weten wie ik ben. Ik heb het met veel plezier opgeschreven en daarna heb ik het allemaal weggegooid. Ik was helaas niet belangrijk. Mijn uitgeefster zei het tegen me en Vuk zei het ook.” Dat is haar man, Vuk Janic, filmmaker. „Dan loop ik eerst wel te mopperen en te sputteren, maar ze hebben altijd gelijk. Het perspectief was ook verkeerd. Ik schreef vanuit het meisje dat ik toen was. Mijn uitgeefster zei: kan al dat gegaaf en gegozer er alsjeblieft uit? Het ging pas goed toen ik schreef vanuit het perspectief van de vrouw die ik nu ben. Toen ik de eerste zin had – ‘ik weet niet of ik ooit zal begrijpen wat er die nacht gebeurd is’ – kwam de rest vanzelf. Het laatste halfjaar heb ik in een roes zitten schrijven. Het was ook echt een roes, want ik had net weer een baby gekregen en er waren dagen dat ik om vijf uur opstond om haar melk te geven en snel verder te schrijven.”

Een baby op je...

„... vijfenveertigste. Ja, dat kan. Bijna tien jaar na de geboorte van mijn zoon.” Ze laat een stilte vallen.

De Duitser die het ongeluk veroorzaakte had je al vrij snel opgespoord en vervolgens durfde je hem niet te bellen.

„Ik heb meer dan een jaar gewacht, ja. Ik was bang dat ik het niet goed zou aanpakken en dat ik hem dan kwijt was. Sowieso voel ik altijd weerzin op het moment dat ik bij iemand die ik ga interviewen op de bel druk. Wat kom ik doen? Wat kom ik halen? Met welk recht?”

Hoe was het toen je hem uiteindelijk ontmoette?

„Ik hoorde de stem van Annette door mijn hoofd gaan. Aááárdige jongen. Hij deugde, zal ik maar zeggen. Type buurman dat altijd zijn grasmaaier aan je uitleent en je planten water geeft als je met vakantie bent. Hij was, of is, moet ik zeggen, biochemicus.”

Zijn leven bleek minstens zo door het ongeluk te zijn getekend als jouw leven.

„En het leven van Annettes ouders. En van haar broer. En de andere vriendinnen. Hij was de eerste die bij Annette neerknielde toen ze op de weg lag. Door hem ging er voor mij een nieuwe camera aan. Het was heel fascinerend. Hij vertelde me over zijn machteloosheid na het ongeluk, zijn paniek. Hij had het meisje aangereden, ze lag daar op de weg met gesloten ogen en er gebeurde niets, helemaal niets. Es muß doch Hilfe kommen! Maar er kwam geen hulp. Er was niet eens een ambulance op dat eiland. Toevallig kwamen er een paar andere Duitse jongens voorbij in een Volkswagenbusje, ze studeerden medicijnen. Die hebben Annette naar de dokter gebracht.”

Hij werd later die dag gearresteerd en vastgezet.

„En daarna op borgtocht vrijgelaten. Uiteindelijk is hij er met een geldboete vanaf gekomen. Hij heeft nooit meer op een motor gezeten en jarenlang heeft hij alleen maar als een gek gestudeerd. Geen feestjes, geen vrolijkheid. Zo probeerde hij het voor zichzelf goed te maken. Hij dacht: als ik nou een nieuw medicijn tegen kanker vindt...”

Jij hebt jarenlang een rusteloos leven geleid.

„Als je bedoelt dat ik veel gereisd heb – ja. Ik ben met een paar jongens van Utrecht naar Togo gereden, dwars door de Sahara. Ik bleef soms maandenlang in Griekenland hangen. Griekenland was toen een vrijplaats. Er waren nog plekken zonder commercie, zonder toezicht, zonder controle. In 1987 kampeerde ik in een vallei op Kreta – je kon er nakend rondlopen. Nu zijn alle mooie stukjes natuur te gelde gemaakt.”

Annettes broer bleek te denken dat jij achterop de motor had gezeten die zijn zusje had aangereden. Haar ouders bleken dat ook te denken.

„Ja, ja.” Ze aarzelt even. „Dat zijn de momenten waarop je aan jezelf gaat twijfelen. Ik had ze verteld wat er was gebeurd en vijfentwintig jaar later vertellen ze mij een verhaal dat helemaal niet waar is. Zo werkt het geheugen dus... Zo grillig... Ze namen me niets kwalijk en ze hebben zich er nooit in vastgebeten. Ze keken er met een nuchtere blik naar: zo was het gegaan en het was een stom ongeluk. Maar het klopte dus niet. Alleen: was mijn verhaal dan wel waar? Welke beelden waren er in mijn hoofd gekomen die misschien ook niet klopten? En waarom dan?”

Annettes ouders verkochten na de dood van hun dochter hun huis en gingen op dat Griekse eiland wonen.

„Maar ik beschrijf ze toch niet als zielige mensen?” Ze kijkt een ogenblik onzeker. „Ik vind het heel krachtig, dat ze dat gedaan hebben. Ik heb daar ook wel eens bij hen gelogeerd. Ze hadden hun huis ‘Annette’ genoemd. Iedereen op het eiland kende het verhaal van het mooie Hollandse meisje dat was gestorven. Mensen vertelden elkaar het verhaal keer op keer opnieuw, bijna als een mythe. Voor Annettes moeder was de ziel van haar dochter daar gebleven. Later, in 2000, zijn ze weer teruggekomen.”

Is de moraal van het boek dat jullie misschien in te grote vrijheid en blijheid opgroeiden?

„Vind je dat er een moraal in zit?” Ze kijkt geschrokken.

Zo zou je het kunnen lezen.

„Nee, nee... Nee. Natuurlijk hebben Annette en ik het lot getart door ’s morgens om vijf uur dronken op de motor te stappen bij jongens die we niet of nauwelijks kenden. Maar als er een moraal in het boek zit, dan is die tegenovergesteld: je moet nú leven en niets uitstellen, want morgen kan het voorbij zijn. Haal eruit wat erin zit.” Ze plukt aan haar brood. „Mijn wereld is klein nu. Ik zit op zolder te werken of ik loop rondjes door het park met de baby en de hond. Ik kijk naar de bloemetjes en de beestjes. ’s Middags haal ik mijn zoon van school. Dat ik daar allemaal de rust voor heb, komt ook doordat ik mijn rusteloosheid heb gebotvierd.”