Simon Carmiggelt

De bronzen kop van Simon Carmiggelt is terug in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Net op tijd, want binnenkort is het honderd jaar geleden dat hij werd geboren. Er komt een tentoonstelling van hem in het Persmuseum. Mij werd gevraagd of ik materiaal kon leveren.

Uit mijn archief diepte ik een aantal briefkaarten op, die hij me in de loop der jaren stuurde. Ik kan de verleiding niet weerstaan daaruit te citeren. Deze bijvoorbeeld:

„Beste, Toen ik gisteravond thuis zat schoot mij opeens een ontstelde gelaatsuitdrukking van jou te binnen in het Amstelhotel. Ik had gezegd, over politieke tekenaars; ‘Maar hij tekent zo lelijk’ En opeens wist ik waarom je zo ontsteld keek. Want mijn geheugen hoorde me zeggen: Frits Müller. En ik bedoelde natuurlijk Behrendt. Dat moest ik even rectificeren. Frits Müller is prima. Hart.gr.Simon.”

Toen hij zeventig dreigde te worden, vroeg ik naar zijn plannen, want we vulden samen de rubriek ‘Een zee van tijd’ in Het Parool. Hij schreef:

„Als ik nog wil schrijven en jij nog wilt tekenen kunnen we, als de hoofdconducteur mij op mijn zeventigste de deur wijst, samen een onderneming stichten. Kronkel. – Het kleinste weekblad van Nederland . Vier pagina’s.

Pagina 1: De Kronkel.

Pagina 2: Kennismakingadvertenties. Paina 3: Jouw cartoon.

Pagina 4: Advertentie: Heerlijk, Helder, Heineken.

Losse nummers een kwartje. Leuk idee, hè. Kunnen we toch doen wat we willen en worden we nog rijk ook. Het beste met de refusal. Ik ken bijna niemand meer die drinkt. De deugd neemt bedenkelijk toe. Gods zegen!”

Maar hij hield er toch mee op. Ik nam de hele rubriek over, een hachelijke onderneming, maar Simon stelde me gerust: „Goede Peter, Ik las op de redactie je copie. Je eerste schot is al meteen een voltreffer, vind ik. Nooit ging iemand met een geruster hart heen dan je bleekscheet, Simon” (Het woordje copie in plaats van kopij moet een freudiaanse vergissing zijn).

Vier jaar later is hij, veel te jong, gestorven. Ik had hem graag honderd zien worden.