Er is zoo lang geslootkant en geknotwilgd

Als jonge schilder schreef hij zijn mecenas vele brieven op informele praattoon. De laatste stuurde de schilder levende have. Mankes’ brieven, gebundeld in een droomuitgave, zijn levendig en grappig.

Jan Mankes: Zelfportret met uil, 1911 (20,5 x 17 cm) en (r.) Portret van de vrouw van de schilder, 1918 (34 x 32,5 cm) Uit besproken boek
Jan Mankes: Zelfportret met uil, 1911 (20,5 x 17 cm) en (r.) Portret van de vrouw van de schilder, 1918 (34 x 32,5 cm) Uit besproken boek

Begin 2007 wijdde het Drents Museum in Assen een grote tentoonstelling aan het werk van Jan Mankes (1889-1920). Het was een goed overzicht van wat de jonggestorven Friese schilder in ongeveer tien jaar tijd maakte. Sferische landschappen, vooral bij nacht, schemering en sneeuw. Stillevens die aan droogboeketten doen denken, zelfs als er geen bloem in voorkomt. Ietwat stijve, maar met een innemende toewijding geschilderde portretten van mensen (meest familie en vrienden) en dieren. Windstil werk is het, ingehouden van kleur en spanning. Etherisch. De olieverf heeft vaak iets waterigs, iets melkachtigs. Alsof Mankes de wereld door een bewasemde ruit bekeek. Op grond van het werk stel je je hem voor als een ernstige, in zichzelf gekeerde jongeman. Op zelfportretten kijkt hij vaak argwanend de lijst uit. Grote ogen in een kikkerkop met spitse dierenoren.

Die indruk van Mankes de mens werd in Assen krachtig tegengesproken door een citaat uit een brief die hij in 1917 schreef aan zijn vriend Aloysius Pauwels. De tekst stond op de wand naast een schilderij van een parelhoen. ‘Een heerlijk beest, het parelhoen. Een kopje zoo wonderlijk waarin vastelanden zeeën en bergen te ontdekken zijn. Een roode zee in een beschimmelde woestijn met een paar eenzame palmen of als je de zaak in kleiner afmetingen wilt bezien dan ontdek je zooiets als een aardappel drijvende in wittig soepje met een tomatensaus of dergelijke dingen. Ik wil maar zeggen op dat kopje met zijn kale ouwe heeren schedel (waarop nog 3 haartjes) raak je nooit uitgekeken. ’t Is een verzameling mooie kleurtjes en wonderlijk van vorm. Snavel verrukkelijk en zijn heele vachtje... geel geel.’

In de oeuvrecatalogus die bij de tentoonstelling verscheen stonden nog meer van zulke levendige brieffragmenten. Ze maakten hongerig naar een vollediger uitgave van Mankes’ brieven, bijvoorbeeld in de bronnenreeks van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag, waar het grootste deel van zijn correspondentie bewaard wordt.

Precies die gedroomde uitgave is er nu, 768 bladzijden dik, in een harde kaft met twee leeslinten. De brieven van (en een enkele keer aan) Mankes zijn ingeleid en geannoteerd door bezorger Jan de Lange, die zich al zo’n dertig jaar met het leven en werk van de schilder bezighoudt. ‘Een paleis van een boek eenvoudig’, om de woorden te gebruiken waarmee Mankes zelf (in brief 331) een ander kloek boek beschreef.

De meeste van Mankes’ brieven zijn gericht aan genoemde Pauwels, veertien jaar ouder, sigarenfabrikant en kunstverzamelaar in Den Haag. Hij was voor de jonge kunstenaar wat Theo van Gogh voor zijn broer Vincent was: een vertrouweling en mecenas, die hem op de hoogte hield van tentoonstellingen en recensies, die bemiddelde bij verkoop van zijn werk en hem toestuurde wat hij nodig had om dat werk te maken.

Voorzag Theo Vincent van geld en schildersmaterialen, Pauwels stuurde Mankes voornamelijk... dieren. Aardewerk en schedels ook, voor zijn stillevens. Groenten en fruit, bloemen en planten. Maar bovenal een halve dierentuin aan levende have. Vogels, knaagdieren, vissen en zelfs een witte geit.

De parelhoen uit het citaat hierboven kwam ook bij Pauwels vandaan. Brief na brief bevestigt Mankes de ontvangst in goede orde van een doos of krat uit Den Haag. Het heeft iets absurdistisch, dat constante gezeul met dieren in dozen. Het lijkt Jiskefet wel.

De brieven geven dus achtergrondinformatie over de door Mankes geschilderde dieren en dingen, mensen en plekken. Ze geven ook een beeld van de schilder zelf. Dat beeld strookt voor een deel met zijn werk: hij was iemand met aandacht voor mooie spulletjes en dieren en een grote gevoeligheid voor landschap, voor weer, moment van de dag, tijd van het jaar.

Maar de Mankes van de brieven is veel energieker dan die van de schilderijen. Geen sombere Einzelgänger, maar een slimme, scherpe jongen, die de kunst van zijn tijd goed in de gaten houdt en er uitgesproken meningen over heeft. Met de nabloei van de Haagse School heeft hij bijvoorbeeld niets op: ‘We hebben nu al zoo lang geslootkant en geknotwilgd dat er wel iemand met een heel bizondere kijk op die dingen moet komen wil het belangrijk worden.’

Geslootkant en geknotwilgd, leuke woordkeuze. Dat is de grootste verrassing: dat Mankes in zijn brieven vaak grappig is, of op zijn minst olijk. ‘U zult wel denken heeft-ie nou de inkt-vrees gekregen of wat mag er toch wel aan de hand wezen daar in Eerbeek,’ schrijft hij Pauwels in januari 1917. Hij had het even te druk voor een brief, legt hij uit. ‘En daarbij kwam, en zie nou komt het, daarbij kwam dan dat het, dat het, ja dat het uw eigen schuld is dat ik niet schrijven kan.’ Want de grote drukte was voor een deel door Pauwels veroorzaakt.

Door die informele praattoon komt Mankes heel dichtbij. Er babbelt een jonge schilder van een eeuw geleden tegen je, en dat is mooi om mee te maken. Van wat hij schrijft blijft wel minder hangen dan van – vergelijkingsmateriaal waar geen ontkomen aan is – de brieven van Van Gogh. Bij Van Gogh gaat het over hoe je in het leven moet of kunt staan. Van zijn brieven kun je iets leren, je kunt erdoor gesterkt worden.

Jan Mankes bericht, behalve over zijn werk, vooral over dagelijkse beslommeringen. Dat doet hij onderhoudend, maar het is niet heel aangrijpend of beklijvend. Wat wil je ook: hij was nog maar net begonnen, in de kunst en aan het leven. Hij schreef deze brieven als twintiger.

In maart 1916, hij is dan 26, is er voor het eerst een brief namens hem geschreven door zijn vrouw Annie Mankes-Zernike, met wie hij een jaar eerder is getrouwd. Jan heeft longtuberculose, deelt zij mee, maar ze hebben goede moed, ‘want de ziekte is nog maar in ’t begin’.

Vier jaar later sterft Mankes toch aan de TBC. In die vier jaar worden steeds meer van de brieven geschreven door Annie, op verzoek van Jan of door hem gedicteerd. ‘Een van de pijnlijkste dingen van het ziek-zijn is niet te kunnen schrijven’, schrijft hij in een van zijn laatste eigen brieven, uit februari 1919. Schilderen lukte ook niet meer. Het vroege werk van Jan Mankes bleef het enige.