De Britten zijn oorlogsmoe en weigeren steun

De Britse premier Cameron vroeg persoonlijk om Amerikaanse militaire actie in Syrië. Het Lagerhuis wil niet en dat „vertolkt de mening van het Britse volk” .

‘Vernederend’ en ‘beschamend’ zijn de meest gebruikte termen die Britse kranten gebruiken om de grote nederlaag van premier David Cameron in het Lagerhuis te beschrijven. Een tumultueuze dag van onderhandelen en debatteren eindigde gisteravond laat met het verwerpen van een motie (met 285 tegen 272 stemmen) waarin werd gepleit voor militaire actie tegen het Syrische bewind.

Cameron gaf zich uiteindelijk gewonnen. Hij zei nog steeds te geloven in de noodzaak van „een harde reactie op het gebruik van chemische wapens”, maar erkende tegelijkertijd dat hij niet om „de wil van het Lagerhuis” heen kon.

„Het is voor mij duidelijk dat het Britse parlement, dat de mening van het Britse volk vertolkt, tegen een Britse militaire actie is”, aldus Cameron. „Dat begrijp ik en de regering zal ernaar handelen.” Hij reageerde daarmee op een vraag van oppositieleider Ed Miliband, die er na de stemming zeker van wilde zijn dat de regering de uitslag niet zou negeren – een recht dat de premier volgens de Britse wet wel heeft.

De hele dag hing de herinnering aan de Irak-oorlog in 2003 boven het debat. Toen deden de Britten mee met een oorlog tegen Saddam Hussein op basis van vermeende bewijzen dat Irak over chemische wapens beschikte. Maar die wapens zijn nooit aangetroffen. Cameron zei aan het begin van het debat dat hij weliswaar begreep dat de Britse bevolking ‘oorlogsmoe’ was en niet graag betrokken raakte bij een conflict in het Midden-Oosten, maar dat het gebruik van chemische wapens niet onbestraft mag blijven. Hij erkende dat er geen ‘100 procent zekerheid’ was dat het Syrische bewind verantwoordelijk was. Hij voegde eraan toe dat de vergissingen van de Irak niet zullen worden herhaald. „We moeten ons niet laten verlammen door vroegere fouten”, waarschuwde de premier. Na het debat zei de hevig teleurgestelde minister van Defensie Philip Hammond dat de invasie in Irak toch „de bron had vergiftigd” van de publieke opinie over Britse interventies.

Het gezichtsverlies voor Cameron, die juist persoonlijk bij de Amerikaanse regering had aangedrongen op militaire respons na de vermeende gifgasaanval, is dan ook groot. Sommige commentatoren vrezen dat de premier gisteravond de greep op zijn eigen buitenland- en defensiebeleid voorgoed is kwijtgeraakt, anderen schrijven dat de premier op het internationale toneel voortaan een toontje lager zal moeten zingen. En in eigen land zal de vraag worden gesteld, schrijft commentator Ross Hawkins van de BBC, of Groot-Brittannië vanaf nu niet langer een land is dat zich mengt in internationale conflicten.

Britse commentatoren wijzen erop dat de oppositie voor het eerst sinds de Suez-crisis in 1956 geen steun geeft aan een regering die pleit voor een militaire interventie. Labourleider Ed Miliband liet eerder deze week nog doorschemeren dat hij Cameron wel zou steunen. Maar hij heeft een draai gemaakt onder druk van felle oppositie in zijn eigen gelederen. Hij deed dat nadat zijn eigen motie, waarin onomstotelijk bewijs (compelling evidence) werd geëist in ruil voor het steunen van een interventie, was afgewezen.

Miliband zei na het debat dat de band met de VS „niet domweg kan gaan over doen wat de Amerikaanse president zegt wat je moet doen”. Het lijkt het begin van een nieuwe definitie van de Britse positie op het internationale speelveld.