Term ‘kanker’ leidt tot radicaal snijden

Bij het horen van de diagnose ‘kanker’ zijn vrouwen eerder geneigd te kiezen voor een operatie, ook als de ziekte niet direct levensbedreigend is.

Bij het horen van de diagnose ‘niet-invasieve borstkanker’ kiest bijna de helft van de vrouwen voor direct chirurgisch ingrijpen. Maar als de arts de uitslag rapporteert als ‘vlekje in de borst’ (breast lesion) of ‘abnormale cellen’ kiest slechts eenderde van diezelfde vrouwen voor wegsnijden. Het woordgebruik van de arts is bepalend, zo blijkt uit een Amerikaans onderzoek. Daarbij kregen 400 gezonde vrouwen in de drie verschillende bewoordingen hypothetisch de diagnose van ductaal carcinoma in situ (DCIS), een voorstadium van borstkanker. De resultaten werden deze week gepubliceerd in het medisch-wetenschappelijke tijdschrift JAMA Internal Medicine.

DCIS is een woekering van epitheelcellen in de melkgangen of melkklieren. Maar anders dan invasieve borstkanker zaait deze tumor niet uit naar de rest van het lichaam. Als de DCIS in de borst blijft zitten, bestaat echter de kans dat deze zich na verloop van tijd ontwikkelt tot een invasieve borsttumor, die wel levensbedreigend is. Daarnaast zijn er ook aanwijzingen dat veel vrouwen DCIS hebben, zonder dat zij er iets van merken.

Het kiezen van de juiste behandeling is „een dagelijks dilemma”, zegt hoogleraar en internist-oncoloog Sabine Linn van het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam aan de telefoon, „juist omdat we niet weten bij welke patiënten deze onrustige cellen zich zullen ontwikkelen tot een invasieve kanker.”

Linn is blij met de conclusies van het Amerikaanse onderzoek. „Het brengt duidelijk over het voetlicht hoe belangrijk de woordkeus van de dokter is voor hoe een patiënt de ernst ervaart. Het is in dit geval misschien inderdaad beter om te spreken over ‘onrustige cellen’, of ‘een goedaardige tumor die op termijn kwaadaardig zou kunnen worden’. Ik denk dat de meeste patiënten het verschil tussen niet-invasieve en invasieve kanker niet begrijpen. Vaak zijn ze zo overrompeld en angstig dat ze meteen weten: haal het maar helemaal weg.”

Door het bevolkingsonderzoek naar borstkanker en de verbeterde diagnostiek komen in Nederland ook steeds meer DCIS aan het licht. In 1989 was nog 5 procent van alle opgespoorde borsttumoren een DCIS; inmiddels is dat al meer dan 10 procent. Jaarlijks zijn er in Nederland ruim 2.000 vrouwen bij wie zo’n voorstadium van borstkanker wordt gevonden.

De Nederlandse behandelrichtlijn voor borstkanker schrijft voor dat zulke tumoren weggesneden moeten worden. Als het kan – als de tumor niet te groot is en de borst niet te klein – kan die operatie borstbesparend worden uitgevoerd. Daarna moeten de vrouwen nog bestraald worden.

„Het is een behoorlijk stevige ingreep voor iets wat nog geen kanker is”, zegt Linn. „Maar als het om kanker gaat kiezen we eerder voor overbehandeling dan voor onderbehandeling.”

Artsen nemen het zekere voor het onzekere. Een DCIS die niet wordt weggehaald zal bij „een substantieel percentage” van de patiënten kwaadaardig worden, zegt Linn. Omdat een DCIS niet uitzaait, is de kans op volledige genezing bijna honderd procent als de tumor op tijd verwijderd wordt.

Maar er zijn ook patiënten die rustiger op de uitslag reageren, en liever niet willen dat er meteen in hun lichaam wordt gesneden. Het niet meteen kanker noemen kan hen ondersteunen die ruimte te nemen, zegt Linn: „Zeker bij vrouwen van hogere leeftijd die nog een normale levensverwachting van tien tot vijftien jaar hebben kun je je zeker bij de meest goedaardige vormen van DCIS afvragen of je wel direct zo radicaal moet ingrijpen. Bij hen zou je ook jaarlijks een borstfoto kunnen maken om in de gaten te houden of de tumor groeit.”