Verbouw je eigen groente – in de stad

In allerlei steden duiken ze op: tuinen waarin voedsel wordt verbouwd. Omdat stedelingen gezond voedsel willen. En braakliggende terreinen, die zijn er steeds meer.

Transfarmers teelt aardappels op een braakliggend stuk grond in Den Bosch.
Transfarmers teelt aardappels op een braakliggend stuk grond in Den Bosch. Foto Merlin Daleman

Midden in Den Bosch ligt De Graafse Hof. Een statige naam voor een zeer onstatig levendige tuin, waar lathyrus, sla, tarwe en goudsbloemen in chaos door elkaar groeien. Op het terrein van ongeveer 30 bij 30 meter ligt in een cirkel de grootste border, opgedeeld in ‘taartpunten’. Links, achter een toegangspoortje van clematis, ligt de kindertuin, met ernaast een trampoline. In een opblaaszwembad drijft een waterpistool, bij de banken op het terras liggen grote kussens. De windmolen-vogelverschrikkers zijn gemaakt van pet-flessen. Hof? Hmmm, meer veelzijdige buurttuin, guerrilla garden, of plezierig-rommelige volkstuin.

En dat is ook precies de bedoeling, zeggen Sophie Gruijters en Albert van der Most. Ze zitten aan een lange tafel op het terras van de tuin. Zij zijn van de stichting Transfarmers, een van de inmiddels vele organisaties in Nederland die zich met stadslandbouw bezighouden. Ze hebben een dubbel doel: het verbouwen van gezond voedsel, waarvan je weet wat ermee is gebeurd, én de mensen uit de wijk erbij betrekken. „We waren echt overdonderd door de belangstelling van de bewoners”, zegt Gruijters. „We zijn hier de galerijflats langsgegaan met ons plan om een moestuin te maken van het verwilderde stuk groen hier.” Veel bewoners wilden meedoen. Er kwamen ook zoveel kinderen op af dat het hier nu iedere woensdag kindermiddag is.

Stadslandbouw lijkt een tegenstelling, maar dat is aan het veranderen. Steeds meer steden in Nederland staan toe of stimuleren zelfs dat hun burgers braakliggende terreinen gebruiken om voedsel te verbouwen. Dat openbaar groen tot moestuin wordt omgewerkt. Ongeveer iedere zichzelf respecterende stad heeft deze nazomer een oogstmarkt, waar honing, kaas, fruit en groenten worden verkocht die in of bij de stad zijn gemaakt of verbouwd. De Rabobank reikte dit jaar voor de tweede keer een prijs uit voor het beste stadslandbouwproject, in Zutphen.

De grondgedachte van stadslandbouw is dat iedereen toegang zou moeten hebben tot gezond, vers voedsel dat op een natuurlijke manier verbouwd is. En dat mensen – en wijken – ervan opknappen als ze betrokken kunnen zijn bij het verbouwen van hun eigen voedsel.

Het idee stamt uit Amerika. Daar ontstond twintig jaar geleden de stichting Growing Power die een voorbeeld is voor veel Nederlandse stadslandbouw. Het economisch laagtij helpt de beweging. Mensen neigen naar autarkie als het slecht gaat, en de groeiende weerzin tegen industriële voedselproductie versterkt dat. En er is ook letterlijk meer ruimte voor landbouw in de stad. Overal liggen bouwkavels braak. Prima plek voor een gemeenschappelijke moestuin.

De Graafse Hof ligt bijvoorbeeld bij een oud buurtgebouw dat wordt bewoond door krakers, onder wie Gruijters. Gebouw en tuin zijn van een woningbouwcoöperatie. „We hebben met ze overlegd en ze hebben ons ook geld gegeven voor zaad en wat gereedschap. Maar ze willen ons geen gebruikersovereenkomst geven, we hebben geen legale status.”

Voor de gemeenten is het wennen, burgers die zelf ruimte opeisen voor groen. Het beleid van de gemeente ’s-Hertogenbosch is voorzichtig enthousiast. Stadslandbouw is leuk, „maar de buurt is er niet bij gebaat als het een rommeltje wordt”, zegt een woordvoerder. Dus wil de gemeente vooraf overleggen met de bewoners, ook om te controleren of de grond wel geschikt is om voedsel op te verbouwen. „Ik heb geleerd dat je een beetje brutaal moet zijn richting de gemeente”, lacht Gruijters. Zij en Van der Most helpen wel eens mensen met het opzetten van gezamenlijke tuinen, en vaak beginnen ze gewoon. ‘Is dit hek van jullie?’ belt er dan iemand van groenbeheer, omdat het stuk gras dat hij kwam maaien inmiddels op weg is een tuin te worden. Omheind, met op een bordje erbij het nummer van de Transfarmers „Als de gemeenschap het wil, dan kan de gemeente toch niet tegen zijn?”, zegt Gruijters.

Stadslandbouwprojecten kunnen erg van karakter verschillen. Soms ligt de nadruk meer op voedselproductie dan op het effect op een wijk. Zo is in de Rotterdamse fruithaven, op een voormalig rangeerterrein, sinds een jaar een landbouwbedrijf actief. Een echt bedrijf met werknemers, een restaurant en een winkel. Twee hectare groente, tunnelkassen, kippen, en vanaf het najaar ook vissen. Stadslandbouw kan nooit de industriële voedselproductie vervangen, die illusie is er niet. Maar deze grond, van de gemeente, brengt 5.000 maaltijden per week op. De boerderij levert vooral aan de horeca; van haarzelf en die in de stad. „We hebben geen transportkosten, en kunnen kwetsbare rassen leveren”, zegt initiatiefnemer Huibert de Leede. die het concept ook naar andere grote steden wil uitbreiden.

Ook de Transfarmers breiden uit: ze hebben nog een braakliggend stuk grond in gebruik genomen – hekje door, vijftig meter over een overgroeid paadje, en je staat op een enorm veld met hoog gras en bloemen, gedeeltelijk overwoekerd door bramen. Het terrein is van een projectontwikkelaar die er voorlopig geen plannen mee heeft. Rechts ligt een groot aardappelveld. „We hebben 1.050 biologische pootaardappelen gebruikt. En één zak biologische aardappelen van de Albert Heijn. Veel werk”, zegt Van der Most. „Maar het is een gezamenlijk project van de 49 mensen die zich hebben gemeld als ‘makker van de Graafse akker’.”

Gruijters en Van der Most zijn blij met de grote belangstelling voor stadslandbouw. Door samen te werken kunnen ze bijvoorbeeld gezamenlijk geld aanvragen bij de gemeente. Of er kunnen apps worden ontwikkeld als die van de Bossche Boeren: alle stadslandbouw in ’s-Hertogenbosch in één app.

Maar het trekt ook een ander soort mensen aan, zoals architecten zonder werk. „Ze hebben niet veel kaas gegeten van dít”, zegt Gruijters, gebarend naar de tuin. Van hoe je echt een buurt betrekt bij een project, hoe je het levend houdt. „We willen wel onze eigenheid bewaren.”