Kerry is stellig, maar Obama beslist

VS-minister John Kerry zet de deur naar ingrijpen in Syrië ineens open. Maar wil president Obama wel? En hoe denken de bondgenoten?

Minister van Buitenlandse Zaken van de VS John Kerry: fel over Syrië.
Minister van Buitenlandse Zaken van de VS John Kerry: fel over Syrië. Foto AFP

Het was niet Barack Obama, maar John Kerry die de deur naar Amerikaanse interventie in Syrië gisteren wagenwijd openzette. Met een stelligheid die politici in Washington na de oorlog in Irak (2003) nog maar zelden gebruiken, legde de minister van Buitenlandse Zaken de verantwoordelijkheid voor de gifgasaanvallen volledig bij de Syrische regering. Volgens Kerry staat vast dat president Assad achter de aanvallen zit, en heeft Amerika bewijs achter de hand om dat aan te tonen.

De felle toon in de speech van Kerry werd alom als een grote verrassing gezien. De laatste dagen aarzelde Obama nog openlijk over zijn Syrië-strategie. Het Witte Huis zei dat Assad waarschijnlijk achter aanvallen met chemische wapens in buitenwijken van Damascus zat, waarbij vorige week honderden doden vielen. Maar over de ‘rode lijn’ die Obama eerder had getrokken – gifgas betekent ingrijpen – had hij het niet meer. Obama zei in een interview met CNN dat Amerika in het verleden te vaak in uitzichtloze conflicten verzeild is geraakt. Bovendien, zei hij: „Als de Verenigde Staten een ander land aanvallen zonder VN-mandaat en zonder overtuigend bewijs, dan kun je je afvragen of het internationaal recht dat toestaat.”

Nadat Obama dit weekend zijn veiligheidsteam bijeen had geroepen om een strategie voor Syrië uit te denken, is de aarzeling van zijn regering plotseling verdwenen. Het overtuigende bewijs waar Obama het over had, is er nu wel, volgens Kerry. Vandaag of morgen zou de Amerikaanse regering details vrijgeven. Kerry wil niet wachten op de resultaten van het VN-team dat ter plekke is. „Onze kennis van de situatie is gebaseerd op feiten, gevoed door geweten en geleid door gezond verstand.”

Opvallend was de persoonlijke, emotionele toon die Kerry aansloeg. Hij wil hiermee de Amerikaanse bevolking bereiken, die tot nu toe weinig interesse in Syrië heeft getoond. Slechts een kwart is voor militair ingrijpen. Kerry vertelde hoe hij de beelden van slachtoffers van de aanvallen twee keer had bekeken. „Als vader krijg ik de beelden niet meer uit mijn hoofd van een man die zijn dode kind omhoog hield, huilend, terwijl het een chaos om hem heen was. De beelden van hele families, dood in bed, zonder een druppel bloed of een zichtbare wond. Lichamen in spasmen, menselijk leed dat we nooit kunnen negeren of vergeten.”

Kerry zei dat Assad ter verantwoording moet worden geroepen – het liefst, maar niet noodzakelijk, in samenwerking met de internationale gemeenschap. Vaag was hij over de militaire opties die op tafel liggen. De regering-Obama handelt aarzelend en tastend in het dossier-Syrië, waar logische opties niet voorhanden zijn. Hoewel Obama al een jaar geleden een ‘rode lijn’ voor Assad trok, heeft hij na eerdere (beschuldigingen van) gifgasaanvallen alleen maar kleine stappen gezet. De Amerikanen steunen rebellengroepen financieel en logistiek en sturen kleine voorraden wapens.

Obama werd door zijn veiligheidsteam geadviseerd rebellen grootschalig te bewapenen, maar hij weigerde, uit angst dat ze bij verkeerde groepen terecht zouden komen. Nu is die optie grotendeels van tafel, omdat jihadistische rebellen steeds dominanter zijn geworden. De opties die deze keer besproken worden zijn vergaander. Obama heeft dit weekend de scenario’s doorgenomen: aanvallen met kruisraketten, een no-flyzone, gerichte luchtaanvallen of een grootschalig militair conflict.

Wat mee zal wegen bij Obama’s afweging, is de samenstelling van zijn nieuwe veiligheidsteam. Om de president heen zit een ring van adviseurs die bereid zijn tot actie over te gaan. De drie sleutelposten worden bezet door mensen die geloven in interventies als noodzakelijk kwaad: Samantha Power, Susan Rice en John Kerry. Obama’s nieuwe Nationale Veiligheidsadviseur, Susan Rice, was als VN-ambassadeur groot voorstander van gewapend ingrijpen bij de Libische opstand. Dankzij haar inspanningen koos Obama voor deelname aan een internationale coalitie die hielp bij het verdrijven van dictator Gaddafi. Ze is getekend, zei ze eens, door Amerika’s passiviteit tijdens de genocide in Rwanda, die ze als jonge adviseur van president Bill Clinton meemaakte.

Samantha Power, de nieuwe VN-ambassadeur, maakte als journalist oorlogen in de Balkan mee. Zij kwam tot de overtuiging dat Amerika soms moet ingrijpen om erger leed te voorkomen. Over deze denkrichting, ‘humanitair interventionisme’, schreef ze een boek: A problem from Hell. Zij is vooral kritisch jegens politici die weigeren internationaal vooraan te lopen uit angst afgestraft te worden door de kiezer. Wel heeft ze er in het verleden altijd voor gepleit dat Amerika het internationaal recht moet respecteren – een echo daarvan was te horen in Obama’s opmerkingen van vrijdag.

John Kerry maakte naam als anti-Vietnamactivist, maar in zijn jaren als senator werd hij een steeds grotere voorstander van een actieve Amerikaanse rol op het wereldtoneel. Hij trok veel op met zijn vriend John McCain, een Republikeinse havik voor wie ingrijpen altijd beter is dan nietsdoen. Kerry pleitte als senator al voor een grotere Amerikaanse rol in Syrië.

Kerry, Rice en Power zijn drijvende krachten achter een meer activistische benadering. Maar het is Obama die moet beslissen. En hij weet dat hij veel te verliezen heeft in Syrië, welke optie hij ook kiest.