‘Bijna 90 pct onderzoek geen onderscheid seksen’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

Premier Rutte onlangs bij Pauw & Witteman.

De aanleiding

De gezondheidszorg is onvoldoende toegespitst op het vrouwelijk lichaam, zei Jannet Vaessen op een van de podia van Lowlands. De directeur van Women Inc. lanceerde met haar speech de campagne ‘Wij zijn de lul’ van de belangenorganisatie, voor meer bewustwording van de verschillen tussen mannen en vrouwen in de gezondheidszorg. Want dat is belangrijk, vindt Women Inc. Vaessen zette haar betoog kracht bij met een aantal beweringen. Zo hebben vrouwen vaak andere symptomen bij een hartaanval dan mannen, zei ze. Ook zei ze dat antidepressiva een ander effect op vrouwen heeft dan op mannen. Maar de meest prikkelende stelling vonden wij: „Bijna 90 procent van de studies maakt geen onderscheid tussen de seksen.” Hoe zit dit?

Waar is het op gebaseerd?

De woordvoerder van Women Inc. verwijst ons naar een artikel van Wetenschap24 uit juni 2010, getiteld Onderzoekers negeren vrouwen. Daarin staat: „Niet meer dan dertien procent van alle studies maakt überhaupt onderscheid in de analyse van de onderzoeksdata.” Het percentage studies dat geen onderscheid maakt is dus 87 procent – afgerond 90. Het artikel gaat net als de speech van Vaessen over patiëntenzorg, dus niet over onderzoek in het algemeen.

Wetenschap24 baseert zich op hun beurt op een opinieartikel in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift Nature. Bij de bronnenlijst van dit opinieartikel vinden we uiteindelijk het onderzoek dat de bron van dit alles is: Adherence to federal guidelines for reporting of sex and race/ethnicity in clinical trials, door Geller, Adams en Carnes uitgevoerd in 2006 over studies die in 2004 gepubliceerd zijn.

En, klopt het?

In 1993 werd er in de Amerikaanse wet vastgelegd dat bij klinische studies die gesubsidieerd worden door het National Institute of Health ook vrouwen en etnische minderheden onderzoeksobjecten moeten zijn. In 2005 besloten Geller, Adams en Carnes te onderzoeken hoe het tien jaar na de invoering van de wet stond met de uitvoering ervan. Ze selecteerden uit de medische onderzoeksdatabase PubMed 589 studies, gepubliceerd in 2004. Maar niet alle 589 publicaties waren geschikt voor analyse: de studies die voor de invoering van de wet startten, de studies waar geen menselijke proefpersonen gebruikt werden en de studies die niet uitgevoerd werden met overheidsgeld werden uitgesloten. Er bleven 69 studies over. Waaruit bleek dat slechts in 46 procent van de publicaties vrouwen onderdeel waren van de proefpersonenpopulatie, maar ook in de meeste van die studies waren de vrouwen niet voldoende gerepresenteerd. Inderdaad blijkt in deze studie dat in 87 procent van de studies geen onderscheid wordt gemaakt tussen sekse of etniciteit, afgerond 90 procent.

Maar 69 geanalyseerde onderzoeken is niet veel om een algemene uitspraak over alle medische studies te doen. Hoewel er geen duidelijke aanwijzingen zijn waarom de steekproef niet representatief zou zijn, zeggen ook de onderzoekers zelf dat de uitkomsten „onvoldoende naleving van de wet illustreren”. Dat vrouwen niet genoeg deel uitmaken van de proefpersonenpopulatie en amper apart geanalyseerd worden, is sinds het onderzoek van Geller et al. in veel andere studies aan bod gekomen. Het onderwerp blijft actueel, blijkt uit een zoekactie in medische onderzoeksdatabases.

Geller publiceerde in 2011 een update van het onderzoek uit 2006. Op dezelfde manier, en met grofweg hetzelfde aantal geanalyseerde studies. Een deel van die studies (allemaal gepubliceerd in 2009) was seksespecifiek, maar bij de studies waarbij zowel mannen als vrouwen onderdeel uitmaakten van de proefpersonenpopulatie maakte nu 75 procent geen onderscheid tussen de seksen. Geller concludeert: „Er waren geen statistisch significante veranderingen in de rapportage over sekse of ras in vergelijking met 2004.”

Mary Foulkes publiceerde eveneens in 2011 een onderzoek waarbij ze maar liefst 268 studies onderzocht op ‘gender bias’. Zij concludeerde dat tussen 1995 en 2010 „slechts 28 procent van de publicaties refereerde aan sekse- of etnisch specifieke resultaten”. Op basis van dit onderzoek zou je dus kunnen zeggen dat 72 procent van de studies geen onderscheid maakt tussen de seksen. Nog steeds veel, maar minder dan 90 procent.

Women Inc.-directeur Jannet Vaessen baseerde zich met haar uitspraak dat bijna 90 procent van de [medische] studies geen onderscheid maakt tussen de seksen op een Amerikaans onderzoek uit 2006. Daaruit bleek inderdaad dat bij 87 procent, afgerond 90, geen onderscheid werd gemaakt. Een kanttekening hierbij is dat een relatief klein aantal studies is onderzocht en dat de onderzoekers zelf zeggen dat het onderzoek de karige naleving van de wet „illustreert”. In 2011 verscheen er een herhaling van het onderzoek uit 2006, waarin werd gerapporteerd dat het percentage studies dat geen onderscheid maakt weliswaar daalde, maar dat er geen significante verandering te zien was. Ook uit een andere, grootschaligere studie uit 2011 blijkt een hoog percentage. Daarin werd geconcludeerd dat 72 procent van de studies in hun analyse geen onderscheid maakt tussen de seksen. Omdat de gerapporteerde percentages schommelen is het voor ons lastig om het ‘goede’ percentage te bepalen. Wel liggen alle percentages hoog, daarom beoordelen wij de stelling van Vaessen als grotendeels waar.

Ook een bewering voorbij zien komen die je gecheckt wilt zien? Mail je suggestie naar nextcheckt@nrc.nl of tip de redactie via Twitter met hashtag #nextcheckt.