Waren ze maar bij moeder thuis gebleven

Iedere dag keren honderden Indonesische meisjes terug uit Saoedi-Arabië Zij werkten daar illegaal als kamermeisje onder erbarmelijke omstandigheden Vanaf 3 november riskeren ze twee jaar cel

Indonesische meisjes krijgen in 2006 les in huishouden voordat ze afreizen om illegaal te gaan werken in het Midden-Oosten.
Indonesische meisjes krijgen in 2006 les in huishouden voordat ze afreizen om illegaal te gaan werken in het Midden-Oosten. Foto Susan Meiselas/Magnum/HH

Correspondent Indonesië

Het vliegtuig was nauwelijks het Saoedische luchtruim uit of Endang (25) wist al wat ze wilde doen. Naar het toilet en die vreselijke abaya uittrekken en in het kleine prullenbakje proppen. Nooit meer zal ze het lichaamsbedekkende gewaad aantrekken, bezweert ze. Het staat voor alles wat ze is gaan haten: het werk, haar status en het totale gebrek aan bewegingsvrijheid in Jeddah. Ze vertelt haar verhaal in de loods op Soekarno-Hatta, het vliegveld van Jakarta, speciaal bestemd voor terugkerende arbeidsmigranten.

Na jaren in Saoedi-Arabië, Jordanië of Syrië is de loods de poort tussen het Midden-Oosten en het Verre Oosten. Giechelend besluiten Endang en de vriendinnen die ze in het vliegtuig gemaakt heeft nog een rondje te lopen. Niet dat er, behalve een simkaart of een bakje nasi kopen, veel te doen is. „Het voelt zo zalig om gewoon weer te kunnen lopen en gaan en staan waar ik wil”, zegt Endang.

Om haar nek bungelt de witte badge met rode letters die de reden van haar vertrek uit Jeddah meldt: overstay. Ze is gedeporteerd. De Saoedische regering wil greep krijgen op de naar schatting twee miljoen illegale buitenlandse arbeidskrachten in het land. Banen in hotels en restaurants moeten vaker naar Saoediërs gaan. En het huishoudelijk personeel moet over de juiste papieren beschikken. Tot 3 november verlenen de Saoedische autoriteiten clementie. Daarna lopen de Indonesische immigranten het risico onder Saoedisch strafrecht vervolgd te worden en twee jaar de gevangenis in te draaien.

De verhouding tussen Indonesië, het land met de grootste islamitische bevolking ter wereld, en Saoedi-Arabië, de bakermat van de islam, is een moeizame. Saoedi-Arabië is om economische en religieuze redenen belangrijk voor Indonesië. Een Indonesiër die op haj (bedevaart) is geweest, geniet status in zijn dorp. Een Indonesische die zich een paar jaar uit de naad heeft gewerkt voor een Saoedische familie is rijker, wereldser en spreekt beter Engels dan haar zus die in de villawijken van Jakarta de was doet en de vloeren boent.

Tegelijkertijd wordt Saoedi-Arabië gehaat, zo wordt duidelijk in de aankomsthal in Jakarta. De terugkerende dienstmeiden praten over hun strenge bazen en de verhalen die zij hoorden over het strafrecht. De vrouwen kennen de verhalen van hun collega’s die na het begaan van een misdaad zijn onthoofd.

Rita (41) haatte haar werk. Iedere dag begon ze om zes uur ’s ochtends en werkte door tot één uur ’s middags. Dan had ze een uur pauze. Om twee uur begon ze en ging ze door tot elf uur ’s avonds. Zeven dagen per week. Drie jaar lang. Ze moest iedere dag koken en het huis van vier verdiepingen boenen. Maar dat was niet het ergste. Rita: „De vrouw van mijn baas woog 108 kilo. Die moest ik iedere dag wassen. Walgelijk.”

Dezer dagen windt Indonesië zich op over het lot van Satinah. Zij doodde in 2009 haar bazin. De 40-jarige Satinah zegt dat ze het deed omdat zij mishandeld en zelfs gemarteld werd. De Saoedische rechters veroordeelden haar ter dood. Haar advocaat en de Indonesische regering proberen haar leven te redden door geld te betalen aan de familie van de vermoorde bazin.

De arbeidsomstandigheden in Saoedi-Arabië, net zoals die in Irak, Koeweit, Jordanië en Maleisië, zijn volgens het Indonesische overheidsagentschap dat is belast met het toezicht op arbeidsmigranten zo slecht dat er geen toestemming meer gegeven wordt voor Indonesiërs om in die landen aan de slag te gaan.

„Veel Indonesiërs omzeilen het verbod op arbeid in Saoedi-Arabië door eerst op bedevaart te gaan en vervolgens werk te zoeken”, zegt Tatanz Razak, directeur bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en verantwoordelijk voor het beschermen van Indonesiërs in het buitenland.

Hij is op het vliegveld om een groep van 300 arbeidsmigranten te verwelkomen die zonder papieren zaten en vanuit Saoedi-Arabië gedeporteerd zijn. „Nu werken we prima samen met de Saoedische autoriteiten om werknemers zonder papieren terug naar Indonesië te krijgen. Zij stellen zelfs speciale vluchten beschikbaar. Als gevolg keren er dagelijks honderden terug. Maar straks als het ultimatum is verlopen wordt het heel pittig om veel te kunnen betekenen ”, zegt Razak.

Het zijn vooral vrouwen die werken in de Arabische wereld. Wie goed kijkt ziet dat de rijen gedeporteerde vrouwen niet beschaamd terugkeren. Ze staan fier rechtop, dragen opzichtige gouden armbanden, hun handen versierd met henna. Onder abaya’s gaan korte rokjes en pimpelpaarse pumps schuil. De vrouwen haten hun Arabische bazen, maar hebben hun stijl overgenomen.

Rianna bekijkt alles vanaf een bankje. Volgens haar paspoort is ze 23, maar eigenlijk is ze 19 en ze oogt nog jonger. „Toen ik ging was ik 16. Dat mag niet, maar de tussenpersoon die alles regelde kon mijn paspoort laten aanpassen”, zegt ze.

Morgenochtend vroeg zal ze bij haar ouders aankomen in hun dorp op Midden-Java. „Ze weten van niks. Ik heb ze drie jaar niet gezien”, zegt ze. Het idee dat haar ouders nu slapen, in totale onwetendheid dat hun enige dochter morgen op de stoep staat, vindt ze bizar. Ze vond het werk en de sfeer in de Arabische wereld helemaal niks. Toch is ze er trots op dat ze is gegaan en weet ze dat de verleiding om weer te vertrekken groot is. Rianna: „Geld lost veel problemen op.”