Toen Saramago nog geen mededogen had

José Saramago: Bovenlicht. Vert. (Claraboia). Maartje de Kort. Meulenhoff, 288 blz. € 19,95

Het moet voor de Portugese schrijver en Nobelprijswinnaar José Saramago (1922-2010) een grote verrassing zijn geweest toen in 1989 het typoscript van een verloren gewaande roman van zijn hand opdook. Hij schreef Bovenlicht in 1952, hetzelfde jaar als waarin het boek zich afspeelt, en vijf jaar nadat hij zijn eerste roman Land van de zonde had gepubliceerd. Een uitgever vond hij er niet voor. Pas 25 jaar later zou hij opnieuw een roman schrijven, die wél zou verschijnen: Handboek van schilderkunst en kalligrafie.

Saramago’s vroege werk werd vervolgens overschaduwd door Memoriaal van het klooster, waarmee hij in 1982 internationaal doorbrak, en door alle boeken die daarna kwamen, De stad der blinden uit 1995 voorop. Nu alle romans uit de tijd van zijn roem zijn vertaald, groeit de aandacht voor wat daaraan voorafging. Vijf jaar geleden verscheen al zijn plattelandsroman Opgestaan van de grond (uit 1980) in het Nederlands. Nu ligt, met een opmerkelijk fraai omslag, ook Bovenlicht in de winkel, twee jaar nadat het postuum in Portugal is uitgegeven.

Wie in dit boek zoekt naar de typische stem van Saramago, met zijn lange, in één zin aaneengeregen dialogen en droog komische ironie, komt bedrogen uit. Als dertigjarige heeft Saramago zijn eigen stijl nog lang niet gevonden. Maar wel gaat zijn aandacht al uit naar het leven van onbetekenende mensen, wier lot hij veel interessanter vindt dan dat van de maatschappelijke bovenlaag.

Lang voordat Georges Perec in Frankrijk rond hetzelfde idee zijn beroemd geworden (en in alle opzichten superieure) boek Het leven, een gebruiksaanwijzing optrekt, beschrijft Saramago in Bovenlicht het leven van de bewoners van één huis. Goede en slechte huwelijken, kinderen op de rand van de volwassenheid of al ver daaroverheen, een alleenstaande juffrouw die door een oudere heer wordt gemainteneerd.

Door het huis worden alle afzonderlijke verhalen waarin de roman steeds weer uiteen dreigt te vallen bijeengebracht. Voor zijn personages is Saramago echter zelden mild. Het mededogen van zijn latere romans moet het nog afleggen tegen een scherp realisme dat weinig illusies kent.

Op een wonderlijke manier weerspiegelt die latere ontwikkeling van Saramago’s schrijverschap zich echter al in deze roman. Het hart ervan wordt gevormd door een Dostojevski-achtige dialoog tussen de zachtmoedige schoenmaker Silvestre en zijn jonge kostganger Abel. Terwijl de eerste een pleidooi houdt voor de liefde als fundamentele levenshouding, blijkt de tweede geobsedeerd te worden door existentiële onzekerheid. ‘Een verleidelijke illusie,’ zo noemt Abel de idealen van de schoenmaker. ‘De dag dat het mogelijk zal zijn te bouwen op liefde moet nog komen.’

Met die zin eindigt Saramago zijn boek en alles wijst erop dat hij er bij het schrijven ervan ook zelf zo over dacht. Over de compromisloze hardheid van zijn communistische engagement bestaat weinig twijfel. Toch moet hij zich gerealiseerd hebben dat dat niet het laatste woord kon zijn. In de slotdialoog van Bovenlicht lijkt de jonge Saramago in gesprek te zijn met wat zijn eigen oudere ‘ik’ zou worden. Dat vergde echter nog heel wat bezinning, waarvan het Handboek van schilderkunst en kalligrafie een kwart eeuw later de neerslag zou vormen. Dat boek moet ook maar snel worden vertaald.