Naar bed met een Diplodocus

In het Natural History Museum in Londen kun je slapen tussen de dinosauriërs De populaire DinoSnores-avonden verkopen maanden van tevoren uit Maar geslapen wordt er nauwelijks

Redacteur Wetenschap

Ik ben te laat. De beste plekken, naast de mammoetschedel, zijn al weg. Ook de nis met de opgezette tijger is bezaaid met slaapmatjes en luchtbedden. Voor de vale en vlezige coelacanth op sterk water, een mysterieuze vis uit de Afrikaanse diepzee en persoonlijk favoriet, staat helaas een bar.

Dan maar slapen in de centrale hal, met uitzicht op het dijbeen van Dippy de Diplodocus, de iconische langnekdinosaurus van het Natural History Museum in Londen.

Een medewerker van het museum heet ons welkom: „Dit is vannacht jullie hotel.” Tweehonderd gasten zullen in het museum overnachten,voor de prijs van een toegangskaartje voor Lowlands. Voor dat geld mogen we tussen fossielen van lang uitgestorven soorten slapen en snurken naast ruimtepuin ouder dan het zonnestelsel zelf. „Na vannacht voelen jullie je gegarandeerd een stuk jonger.”

„Zijn er eigenlijk paleontologen in de zaal?” Drie handen gaan omhoog. „Entomologen?” Eén hand. „En zijn er ook homo sapiens?” Gejuich, geklap. De toon is gezet. Dit wordt een slaapfeestje voor liefhebbers, door liefhebbers.

Voordat we in het museum worden losgelaten nog een paar verzoekjes. „Geen seks en geen drugs”, waarschuwt onze gastvrouw. „We zijn tenslotte wetenschappers.” De aanwezige wetenschappers gniffelen. Alcohol mag, maar niet te veel. „We moeten wat overhouden voor onze sterkwatercollectie.”

Het slaapfeestje wordt ingeluid met lezing over insectenseks. „Vrouwen zijn van nature promiscue”, begint insectenkenner Erica McAllister haar praatje. McAllister windt haar publiek om haar vinger met gruwelijke foto’s en verhalen. Van de telescopische uitschuifpenis van de vlo bijvoorbeeld. Of de dubbelpenis van de waterjuffer: eentje om vast te houden en eentje voor de daad zelf.

Half twaalf. Tijd voor een nachtelijke tekenles, met een vleugje anatomie. In een tekenstudio in een uithoek van het museum wordt driftig geschetst en geluisterd naar een man met een grijs stoppelbaardje. Laag voor laag legt de paleokunstenaar spieren op de schedel van een T-rex. Met een paar pennenstreken brengt hij bloed op de tanden en littekens op de snuit. „Kinderen houden van bloed”, mompelt hij.

De zwartwitrex is klaar. Tijd voor vragen. De bescheiden tekenaar blijkt Steve White te zijn, die onder andere het dinotijdschrift van uitgever DeAgostini illustreerde. Opwinding onder de dinoliefhebbers in de studio. Met de tekeningen van White zijn velen opgegroeid.

Dan het programmaonderdeel waar iedereen op heeft gewacht. De nachtelijke dwaaltocht door het museum gaat beginnen. Zeven galerijen en tentoonstellingen zijn vannacht geopend. Geen rij deze keer, geen schreeuwende kinderen. Dit is het speelkwartier voor volwassenen.

De bezoekers stuiven alle kanten op. Een jongen en meisje glippen met een fles rode wijn de zoogdierengalerij in. Zelf zoek ik mijn jeugdliefde op: Iguanodon, de plantenetende dino die statig zijn duimklauw omhoogsteekt. Ik doe hetzelfde en poseer. Leuk voor Twitter.

Aan het einde van de dinobrug staat een drietal kleine roofdino’s met venijnige tandjes. Nachtmerriemateriaal. Van om de hoek klinkt het gebrul van de levensgrote, robotische Tyrannosaurus rex. Wat maakt het ook uit? We brullen terug als wilde beesten, onze armen zwaaien als klauwen. Voor de bewakers achter hun beeldschermen moet dit een heerlijke nacht zijn.

Half drie. De eerste mensen gaan naar bed, de gangen worden leger. Ik sta alleen in de schatkamer van het museum. Hier liggen de topstukken achter centimetersdik glas.

Ik kijk diep in de lege oogkassen van de schedel van Broken Hill. Dit was het eerste fossiel van een mensachtige uit Afrika en de eerste aanwijzing dat de moderne mens uit Afrika kwam. Ernaast ligt de steenplaat met het oorspronkelijke fossiel van Archaeopteryx, de dinosauriër die ook vogel was. De oervogel lijkt zijn vleugels net in het kalk te hebben uitgespreid.

„Sorry, meneer?” Teruggerukt naar het nu. Een meisje vraagt vriendelijk of ik de schatkamer wil verlaten. De tour is afgelopen. Ik mag nog wel opblijven, maar dan moet ik naar het zaaltje van de ongewervelde dieren.

Hier, tussen de sponzen en zeesterren, is het spookuurtje begonnen. Het personeel vertelt griezelverhalen over zelfmoorden in het museum, koude rillingen en ongrijpbare gedaanten die in de walvishal in rook opgaan. Inclusief zaklamp onder de kin.

Een handvol doorzetters heeft zijn kussens naar het zaaltje meegebracht, voor de monsterfilmmarathon. We mogen kiezen: Jaws, Birds of toch Jurassic Park? De dinoklassieker wint de stemming met gemak.

„Psst, deze heb ik stiekem meegenomen, van de insectenproeverij”, fluistert mijn buurvrouw. Gezoute miereneitjes. Het is drie uur als de film begint. Eitjes knisperen tussen mijn tanden.

Vier uur, tandenpoetsen bij het fonteintje.

Terug in de centrale hal wordt me duidelijk waarom dit evenement DinoSnores heet. Zacht en minder zacht gesnurk vult de hoge hal. Overal liggen mensen, in spijkerboek of dinopyjama. Op mijn tenen sluip ik onder het tipje van de staart van Dippy door, op zoek naar mijn eigen matje.

Zes uur. Ochtendlicht scheert over het hoofd van de marmeren Darwin. Hij kijkt nog even sereen als de nacht daarvoor, niet gestoord door de logés die aan zijn voeten rusten.

In het ongewerveldenzaaltje blijkt de marathon nog in volle gang. Slapers, wakers en lege flessen wijn liggen door elkaar. Op het scherm staat Jaws op het punt om toe te slaan. De suppoost geeft toe dat hij halverwege Jurassic Park al in slaap gedommeld is.

Half acht. De deuren van het museum worden wijd open gezet. Een frisse wind waait door de hal en verdringt de klamme warmte van de nacht. Straatgeraas dringt de stille hal binnen.

Een nacht in de prehistorie is slopend, maar ik wil nog niet weg. Op blote voeten loop ik door de Victoriaanse gangen. Nog even de reuzenluiaard gedag zeggen.