Messcherpe solo’s van Bronfman

Robeco SummerNights KCO. Gehoord: 22/8, Concertgebouw A’dam.

Het Concertgebouworkest doet komende weken zijn traditionele Europese zomertour, ditmaal onder Daniele Gatti, te beginnen in Amsterdam. Het eerste programma zoomde verrassend in op het midden van de twintigste eeuw, met Prokofjev, Bartók en avant-gardist Lutoslawski.

Een strikte canon op een twaalftoonsreeks – het klinkt de meesten niet onmiddellijk als muziek in de oren. Maar dat is precies hoe Witold Lutoslawski zijn schitterende Musique funèbre (1958) begint. Het orkest speelde de wrange onderwereldmuziek met majesteitelijke gratie.

Pianist Yefim Bronfman soleerde met veel verfijning – bijvoorbeeld in de lieflijke melodie van het Adagio religioso, tegen een sluier van omfloerste violen. Hij was messcherp in het octavenwerk en bezat een vlinderachtige lichtheid van toets in de arabesken. Vooral in het ritmisch veeleisende slotdeel was de correspondentie met Gatti indrukwekkend.

Een compilatie van de eerste twee orkestsuites uit Prokofjevs ballet Romeo en Julia dirigeerde Gatti uit het hoofd. Bij de heerlijke lappendeken van liefdeslyriek, pastorale naïviteit en orkestraal vuurwerk kon men zijn verbeelding de vrije loop laten.