Dood aan het volk!

Aan Mao’s Grote Sprong Voorwaarts ging de Grote Terreur vooraf. China verzwijgt die periode, maar een schokkend boek, gebaseerd op regionale archieven, onthult de hongersnoden, zuiveringen en moordquota.

Voor liefhebbers van politiek theater is het jammer dat de Communistische Partij van China (CPC) zich niet meer bedient van socialistische beeldtaal. Het beroemde affiche van het tractormeisje, dat blakend van gezondheid met revolutionaire trots over de velden rijdt, is een collector’s item geworden, alleen betaalbaar voor de nieuwe miljonairs die in Shanghai met hun Lamborghini’s de stoep voor het antiquariaat blokkeren.

In (staats)kapitalistisch China is de propagandistische iconografie, waarmee de komst van de Nieuwe Mens in de jaren vijftig en zestigwerd aangekondigd, geheel uit het straatbeeld verdwenen. Slogans, spandoeken, standbeelden van Mao en armwikkels zijn ingeruild voor de lichtreclames van het mondiale consumentisme. De almachtige partij is haast onzichtbaar geworden

Lezing van De tragiek van de bevrijding, het nieuwe boek van de Nederlandse historicus Frank Dikötter die hoogleraar is aan de Universiteit van Hongkong, versterkt het besef hoe verrassend snel zich, na de dood van Mao in 1976, in China een metamorfose heeft voltrokken. Alsof de herinneringen aan de permanente, zeer gewelddadige klassenstrijd, de voortdurende politieke experimenten en het bij vlagen krankzinnige economische beleid niet snel genoeg uitgewist konden worden.

In Dikötters indringende versie van deze fase uit de Chinese geschiedenis – eerder schreef hij Mao’s Great Famine, in 2011 bekroond met de Samuel Johnson Prize – is een confrontatie met het verleden blijkbaar nog steeds te pijnlijk. Niet alleen voor daders en slachtoffers, maar ook voor de CPC zelf.

„De wonden van de slachtoffers zijn nog niet geheeld, de daders en de partij willen alles vergeten en doen alsof we na Mao’s dood opnieuw zijn begonnen”, vertelde me onlangs een gepensioneerde ingenieur die als Rode Gardist tijdens de Culturele Revolutie de openbare beschimping van een van zijn professoren leidde.

„Chinezen hebben geen enkele behoefte aan trots en nostalgisch terugblikken, want daar is helemaal geen reden voor. Daarom kijken wij altijd vooruit. We hebben het ook te druk met geld verdienen”, legde een Chinese fietsmakker, een man in bonis, mij onlangs uit.

Het ontbreken van die historische reflectie blijft je verbazen. Zeker als er weer nieuw werk van buitenlandse historici verschijnt.

Het is bekend dat onder Mao tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (1957-’63) en de Culturele Revolutie (1966-’76) tientallen miljoenen Chinezen de dood werden ingejaagd. Volgens Dikötter begon de tirannie al in de Burgeroorlog (1927-’50) met het uithongeren van steden die zich niet aan de communisten wilden overgeven, en werd zij na de stichting van de Volksrepubliek alleen maar uitgebreid.

Als gevolg van de Grote Terreur in de eerste tien jaar van het Nieuwe China stierven volgens Dikötters schattingen rond de vijf miljoen boeren, ambtenaren, (dwang)arbeiders, soldaten, kinderen en vooral bejaarden en verwaarloosde zieken.

Hij baseert zich in zijn schokkende boek op onderzoek in de regionale en stedelijke archieven van centrale en zuidwestelijke provincies Guangdong, Sichuan, Hunan, Guangxi. Centrale partij- en ministeriële archieven zijn voor historici, zeker de buitenlandse, ontoegankelijk. Ondernemende geschiedschrijvers als Dikötter en hun Chinese medewerkers hebben als zij het slim aanpakken wél toegang tot regionale archieven. Daar bevinden zich vaak ook kopieën van geheime dienstrapporten, geheime politieke speeches en notulen van partijkaders.

Geholpen door Chinese onderzoekers, die om voor de hand liggende redenen anoniem blijven, vertelt Dikötter hoe het maoïsme vanaf 1949 in de praktijk werkte. Of, zoals hij het formuleert: hoe de creatie van de Nieuwe Chinese Mens leidde tot economische en sociale chaos.

Zijn eerste, al even fascinerende boek ging over de grote hongersnoden als gevolg van een totaal falend economisch beleid dat werd gepresenteerd als de Grote Sprong Voorwaarts. Het nu verschenen werk gaat over de periode die daaraan vooraf ging. Dikötter werkt aan een derde boek over de Culturele Revolutie.

De trilogie vormt straks de geschiedenis van het Chinese communisme dat in Dikötters optiek een verhaal is van oneindig veel gebroken beloftes. Want achter de verplichte lach van de jonge mannen en vrouwen op de posters ging een wrede, diep verdeelde samenleving schuil, een regime waarin iedereen, behalve Mao zelf, op elk moment slachtoffer kon worden.

Tot op de dag van vandaag wordt door het gelikte propaganda-apparaat, bijgestaan door Saatchi & Saatchi en andere westerse pr-bureaus, de eerste tien jaar van ‘Nieuw China’ gepresenteerd als de periode waarin in het Land van het Midden universele waarden hun intrede deden. China werd in de CPC-versie ‘bevrijd’ van eeuwenlange uitbuiting door feodale keizers en hun buitenlandse aanhangers. Onder Mao kwam de zon op in het Oosten en bracht vrijheid, gelijkheid, sociale zekerheid en democratie.

In werkelijkheid begon de onderdrukking toen pas goed, aldus Dikötter. Deze stelling onderbouwt hij overtuigend aan de hand van de gewelddadige wijze waarop landbouwbedrijven, ondernemingen en winkels werden genationaliseerd en de ambtenarij werd gezuiverd van nationalistische ‘elementen’. Bruisende steden als Shanghai, Guangzhou, Xian, Xiamen, Beijing veranderden in korte tijd in zieltogende oorden waarin ’s avonds na negen uur niemand meer de straat op mocht.

Van het ene op het andere moment moesten mensen zich anders kleden en gedragen. Vrouwen knipten hun krullen af, lipstick en make-up verdwenen in de vuilnisbak, horlogebandjes van leer werden vervangen door stukjes touw. De werkloosheid vertienvoudigde in de grote steden, omdat Mao en zijn guerrillastrijders geen benul hadden van economie. De klassenstrijd had prioriteit – koste wat het kost.

Meteen al in 1950 stelde Mao vast dat de CPC van alle kanten werd belaagd omdat de landbouwhervormingen en ‘de omschakeling van de geesten’ op veel verzet stuitten. Mao was zich ervan bewust dat de CPC weliswaar de nationalistische Kwomintang had verslagen had en over veel goodwill beschikte, maar dat de publieke opinie zeer wisselvallig was.

De nationalisatie van de economie, de collectivisatie van de landbouw en de invoering van het graanmonopolie gingen gepaard met stakingen, opstanden en gewelddadige confrontaties tussen CPC-eenheden en demonstranten. Vooral in het zuiden van China, in Hubei, Guangzhou, Sichuan, Guangxi en Guizhou werd het nieuwe regime geconfronteerd met de reële dreiging van gewapende rebellie.

De omvang van het verzet in die jaren is nog niet eerder zo gedetailleerd in kaart gebracht als nu, in De tragiek van de bevrijding. In 1950, tijdens de oorlog tegen de Amerikanen in Noord-Korea, in 1953, na de grote landbouwhervormingen en in 1956 (gelijktijdig met de Hongaarse opstand) hadden golven van demonstraties, stakingen en gevechten met politie en leger plaats. Alleen al in Shanghai vonden in 1956 220 stakingen plaats door duizenden arbeiders die portretten van Mao van de muur rukten uit protest tegen onbetaalde lonen, massaontslagen en mismanagement.

Mao reageerde keihard en stuurde een van zijn meest meedogenloze generaals op de ‘contrarevolutionaire elementen’ en ‘kapitalistische bandieten’ af. Van deze Luo Ruiqing, die in Moskou was opgeleid en door Stalin werd geprezen, is bekend dat hij op zijn kantoor een enorm portret had opgehangen van Felix Dzjerzinski, de oprichter van de eerste geheime dienst van de Sovjet-Unie. Hij moest erop toezien dat Mao’s persoonlijke opdracht om in iedere provincie één op de duizend mensen te vermoorden, werd uitgevoerd.

Dikötter heeft de hand weten te leggen op rapportages waarin de resultaten van deze moordcampagnes zijn vastgelegd. Mao kreeg die ook te zien. Dikötter citeert Mao: ‘Het Provinciaal Comité van Guizhou verzoekt om een streefcijfer van drie op duizend, dat is te veel, vind ik. Zo kijk ik er tegenaan: we kunnen de een per duizend overschrijden, maar niet te veel.’

Behalve in het zuiden ging het er ook ruig aan toe in Binnen-Mongolië en de noordoostelijke provincies aan de grens van Noord-Korea. Hier streden honderdduizenden Chinese soldaten aan de zijde van de Noord-Koreanen tegen de Amerikanen en Zuid-Koreanen. Dienstweigering kwam op grote schaal voor. Het verzet tegen die oorlog, die in 1950 begon, en de enorme economische prijs die vooral betaald werd door de Chinese boeren, behoort tot op de dag van vandaag tot de categorie ‘zeer gevoelige onderwerpen.’ Die oorlog, die het begin van de speciale Chinees-Noord-Koreaanse relatie vormde, kon China zich helemaal niet permitteren, en heeft zijn ontwikkeling decennia lang vertraagd. De strijd, die aan honderdduizenden het leven kostte, werd gefinancierd uit de verkoop van graan aan de Sovjet-Unie.

Het onmiddellijke gevolg van de oorlog was dan ook hongersnood in de graanschuurprovincies. In Shandong, in het door Deng Xiaoping geleide Sichuan en Binnen-Mongolië stierf een op de drie dorpsbewoners van de honger. Vanzelfsprekend waren ook in de grote steden basisproducten schaars. Voor het leed werden de Amerikaanse oorlogshitsers en andere kapitalisten verantwoordelijk gesteld. Mocht dat niet volstaan, dan werd de honger toegeschreven aan ‘natuurrampen’. Iedereen, behalve de communisten zelf, was schuldig aan het feit dat de Chinezen na decennia oorlog opnieuw jarenlang bitterheid moesten eten.

Toen de Grote Terreur op een lager pitje werd gezet, nam Mao zijn toevlucht tot andere methodes om de samenleving ‘scherp en politiek bewust te houden’ en de partij te zuiveren van vermeende tegenstanders, onwillige ambtenaren en critici. Volgens hem moesten zowel de ‘vliegen’, de triviale partijfunctionarissen, als ‘de tijgers’ aangepakt worden. Net als in de Grote Terreur daarvoor, stelde hij nu totaal willekeurige quota in: 100.000 doden voor heel Oost-China en 3.000 voor specifieke provincies.

Corruptiebestrijding is op dit moment opnieuw een actueel thema, waarbij opvalt dat de nieuwe leider Xi Jinping dezelfde terminologie – vliegen en tijgers – gebruikt als Mao. Het verschil met toen is dat nu vooral producenten van Schotse whisky, Franse mode, Italiaanse tassen en Zwitserse horloges te lijden hebben. Het aantal executies wegens corruptie is beperkt gebleven tot drie. The Times They Are A-changing, ook in China, hoewel Bob Dylan dat nummer in Shanghai in 2011 niet mocht zingen.

De tijd dat de bevolking uitsluitend wordt gezien als hulpmiddel om de heilstaat te realiseren is voorbij. Na de dood van Mao en zijn kameraden werd begonnen met de inlossing van de revolutionaire beloftes, met uitzondering van de invoering van democratie. Dat is nog altijd een morsdode paragraaf in de grondwet.

Hedendaags China, waar de welvaart ieder jaar toeneemt, lijkt in weinig op het China dat Dikötter zo fascinerend in beeld brengt. Iedereen is een beetje rijker geworden, diepe armoede en honger zijn uitgebannen, het Chinese parlement telt meer miljonairs dan het Amerikaanse Congres, en in persoonlijk opzicht zijn Chinezen vrijer dan ooit. Zelfs de ruimte om de overheid zonder dodelijke repercussies te kritiseren, groeit als gevolg van Weibo, het Chinese twittersysteem.

Gevreesd moet echter worden dat het nog lang gaat duren voordat ook Chinese historici de ruimte krijgen om diepgravend onderzoek te gaan doen. Chinese oral history, memoires van Chinese getuigen, dagboeken van de leiders van toen staan bovenaan de zwarte lijsten van de censuur. Dat maakt het werk van Dikötter, maar ook dat van Chinese historici zoals Yang Jisheng zo belangrijk.

Met het verstrijken van de tijd blijkt dat er een steeds grotere behoefte is aan dergelijk onderzoek. Vasteland-Chinezen reisden vorig maand in grote aantallen naar de zomerse boekenbeurzen van Hongkong en Taipei om Dikötters en Yangs werk te kunnen kopen. Tekenend is ook de snelheid waarmee illegale kopieën van verboden geschiedschrijving via internet en op universiteiten verkrijgbaar zijn. Alleen de CPC durft de confrontatie met het onverwerkte, diep tragische verleden nog niet aan.