Wat blijft

Wat onthoudt een mens van zijn vakantie? Bitter weinig. De opgedane harde informatie, in musea, op rondleidingen en wandelingen, spoelt het snelst weg. Veel ben je ’s avonds alweer vergeten. Wat het langst blijft hangen, is de sfeer. Het is net als bij een goede roman of film: je vergeet het verhaal, maar onthoudt de sfeer. Daar horen een paar beelden bij – een stad, een landschap, een gezicht – en dan heb je het wel gehad.

Dan zijn er nog wat incidenten die onbelangrijk leken op het moment dat je ze meemaakte, maar die toch langer in je geheugen blijven smeulen dan dat schilderij – van wie was het ook alweer en wat stond er precies op – waar je in het Musée d’Orsay vijf minuten naar hebt staan kijken.

Voorbeelden? Op Terschelling maakten we een keer aan het begin van de avond een wandeling naar het wad. Het was een prachtige, zoele avond, in de weilanden heerste diepe rust. Het enige wat die rust enigszins verstoorde, zeker toen ik erop begon te letten, was een vaag gejoel ergens aan de horizon achter ons, daar waar het dorpje Formerum lag (spreek uit: Formérum, hoewel je bij een belendend dorpje Lánderum moet zeggen). Het leek nog het meest op het geloei dat van een voetbalveld kan opstijgen.

Pas ruim een uur later, op de terugweg, merkte ik wat er aan de hand was. Lopend langs de zoom van Formerum kwamen we bij een camping waar honderden jongeren bleken te verblijven. Camping is eigenlijk een te deftig woord voor het rommelige tentenkamp dat zich daar bevond. Tussen de rijen tenten liepen paden die gevuld waren met lange tafels waaraan jongeren – meer jongens dan meisjes – zaten of lagen te drinken.

Om hen heen stonden manshoge stapels kratten bier. Het was nog geen half negen, maar iedereen leek dronken of was bezig het snel te worden. Er werd uit volle borst gejoeld, gezongen en gelald – dat was het lawaai dat ik kilometers verderop had gehoord, en dat ik ook op andere avonden nog vaak zou horen.

Op het terrein was op dat moment verder niets te doen. Er traden geen bands op, er waren geen andere acts, er stonden alleen kale tafels en banken en er was bier, honderden liters bier. De sfeer (ja!) had voor de buitenstaander iets naargeestigs. Ik beklaagde de autochtone bewoners van het dorp die dit geloei elke zomer moesten aanhoren.

Ander voorbeeld. De openslaande deuren van onze hotelkamer kwamen op een terrasje uit dat grensde aan dat van de buren, slechts gescheiden door een dunne haag. Daardoor kon je elkaars gesprekken woordelijk volgen. Naast ons zat een ouder Duits echtpaar, waarvan we alleen de stemmen kenden.

Op een dag hoorden we de vrouw in het Duits bellen en zeggen: „Heidi, misschien weet je dat Helmut vandaag jarig is. Zou je zo goed willen zijn hem te bellen om hem te feliciteren. Dat zal hij zeer op prijs stellen.” Het bleef even stil, waarna ze het telefoonnummer van haar Helmut doorgaf.

Ze pleegde nog een aantal telefoontjes van deze aard.

Een kwartiertje later kwam de eerste reactie. „Heidi!”, hoorden we Helmut blij verrast uitroepen. „Wat leuk dat je aan me hebt gedacht! Ja, hier alles goed, we maken er een leuke dag van.”

Zo ging het nog even door en elke keer riep Helmut verrukt dat het „ganz toll” was dat ze deze moeite genomen hadden.

Opeens kwam er een ander telefoontje tussendoor. Ene Peter. „Zei hij nog wat?”, vroeg de vrouw later. „Nee”, zei Helmut, tief enttäuscht.