Kennisoverdracht gaat het beste in je moerstaal

Onder het mom van ‘globalisering’ wint tweetalig onderwijs terrein. Het echte leren komt in de verdrukking, betoogt René Appel.

De Nijmeegse kinderopvangorganisatie KION begint met Engels voor peuters, meldde deze krant op 16 augustus. De twee- tot vierjarigen krijgen twintig minuten per dag ‘les’ van handpop Benny, die ze woordjes als yes, no en goodbye leert. Een nieuwe loot aan de stam van het tweetalig onderwijs.

We zouden het ook anders kunnen noemen, bijvoorbeeld: de infiltratie van Engels gaat een nieuwe fase in. Ik maak mij daar ernstige zorgen over.

Het tweetalig onderwijs wordt veelal verdedigd met begrippen als ‘internationalisering’ en ‘globalisering’. Het zou nuttig of zelfs noodzakelijk zijn om kinderen mondig te maken in wereldtaal Engels.

De oorsprong van tweetalig onderwijs is echter anders. In de laatste decennia van de vorige eeuw ontstonden zorgen over de beheersing van de vreemde talen van middelbare scholieren. Met name hun Duits en Frans zou ondermaats zijn. Tweetalig onderwijs werd als oplossing aangedragen. Een groot deel van de andere vakken, bijvoorbeeld geschiedenis en biologie, moest ook maar in een ‘vreemde taal’ gedoceerd worden. Een idee dat op een aantal scholen enthousiast in de praktijk werd gebracht.

Wat was echter de vreemde taal waarin onderwezen werd? Engels, inderdaad. Niet Duits of Frans. Maar Nederlanders, zeker de jongere generatie, spreken over het algemeen behoorlijk Engels.

Anglisten mogen weliswaar graag klagen over het niveau van de Engelse taalbeheersing („Je kunt in hun uitspraak niet eens het verschil tussen bed en bad horen!”), maar vraag het eens aan een bezoekende Amerikaan of Brit. Zij zijn juist verbaasd over het grote aantal Nederlanders, waaronder laaggeschoold personeel, dat het Engels redelijk tot goed beheerst. Degenen die hier als expat langer verblijven, vinden het vaak jammer dat de meeste Nederlanders in een gesprek meteen op Engels overschakelen. Zo leren ze nooit Nederlands, verzuchten ze dan.

Internationalisering is voor veel scholen slechts een abstract argument om over te schakelen op tweetalig onderwijs. Een argument dat een goede indruk maakt in de schoolbrochure. Enkel om die indruk gaat het, vermoed ik: het concept ‘tweetalig onderwijs’ als marketinginstrument, een middel voor schoolbesturen om zich te onderscheiden en leerlingen te werven.

Soms proberen scholen met dit concept een andere populatie leerlingen aan te trekken. Een voorbeeld hiervan is een grote Amsterdamse middelbare school. Een school die vooral werd bezocht door allochtone leerlingen. De introductie van tweetalig onderwijs lokte autochtone scholieren. Misschien hoopt het Nijmeegse KION ook op zo’n dynamiek. Regelmatig berichten media over afnemende instroom van kinderen in peuteropvang en crèches. KION heeft vermoedelijk gedacht met handpop Benny goede marketing te bedrijven.

Natuurlijk wint Engels als wereldtaal aan belang, dat ontken ik niet. Maar we moeten ons afvragen of dat belang zwaarder weegt dan de kwaliteit van het onderwijs. Prima als het onderwijs aansluit op maatschappelijke ontwikkelingen, maar het is slecht als scholen met hun ‘internationaliserende’ en ‘globaliserende’ taalpolitiek het Nederlands als cultuurtaal verzwakken.

Zijn die leerkrachten en peuterleidsters überhaupt wel geschikt om onderwijs in een andere taal dan hun moedertaal te geven? Ook dat is zeer te betwijfelen.

We worden doodgegooid met verhalen over werkdruk op scholen, over de uitputtingsslag die leraren moeten leveren en over peuterleidsters die tekortschieten. En dan moeten ze nota bene lesgeven in een andere taal dan hun moedertaal. Het is helemaal niet zeker of ze dat wel aankunnen.

Het kan niet anders of die experimenten in tweetaligheid gaan ten koste van het contact met de kinderen. Van het onderwijs dus. Ik vraag me echt af wanneer de cursus ‘Hoe spreek ik vanaf dag één Engels met mijn baby’ wordt uitgerold. Ongetwijfeld is daar ook een markt voor.

René Appel is schrijver en voormalig hoogleraar Nederlands als tweede taal.