Je moet je afvragen: waar gáát die scène over?

Ramsey Nasr keert na 13 jaar terug op het toneel. Hij speelt in Lange dagreis naar de nacht bij Toneelgroep Amsterdam. Heeft zijn dichtersschap zijn kijk op tekst veranderd?

Ramsey Nasr in de kleedkamer van de Amsterdamse Stadsschouwburg voor een repetitie van Lange dagreis naar de nacht
Ramsey Nasr in de kleedkamer van de Amsterdamse Stadsschouwburg voor een repetitie van Lange dagreis naar de nacht Foto Bram Budel

Hij vindt het moeilijk dit gesprek te hebben vóór de première van Lange dagreis naar de nacht. Ramsey Nasr, voormalig Dichter des Vaderlands, keert na dertien jaar terug op het toneel, als nieuw lid van het ensemble van Toneelgroep Amsterdam, en staat meteen in de seizoensopening: Eugene O’Neills A long day’s journey into night (1956), in de regie van Ivo van Hove. Maar liever zou hij het er niet over hebben. Liever, zegt hij, komt hij stilletjes via de achterdeur naar binnen, dan over de rode loper met grote trom. „Je moet niet je eigen terugkeer aankondigen, dat is verkeerd. Want misschien wordt het wel de ‘comeback and downfall van Ramsey Nasr”. Hij lacht: „Met nog één grootsprakig interview in NRC Handelsblad voor hij ontslagen werd.”

Er is een tweede reden voor bescheidenheid: Lange dagreis is een stuk voor vier acteurs, over een dag uit het leven van het gezin Tyrone. Nasr speelt de oudste zoon, James jr., Jamie. „Als ik nu Hamlet speelde, vooruit. Maar ik ben hier een van de broers, in een hechte compositie voor vier man. Als er al hoofdrollen zijn, dan zijn dat de ouders, James en Mary Tyrone, gespeeld door Gijs Scholten van Aschat en Marike Heebink.” Het leren van zijn tekst, de vloer op met zijn tegenspelers, ondanks een cesuur van dertien jaar voelt het vooral „vertrouwd”. „Voordat we begonnen met repeteren heb ik even gedacht: oei, het is wel lang geleden. Maar nu vind ik het vooral fijn. Veel van de mensen met wie ik nu werk kende ik al: bij het Zuidelijk Toneel werkte ik vijf jaar met Ivo en zijn scenograaf Jan Versweyveld. En met Roeland Fernhout, die de jongste broer Edmund speelt in A long day’s journey into night, speelde ik al eerder.”

Nasr is blij dat hij zijn vuurdoop beleeft in een solide vierspan. „Dit is een hecht, kleinschalig stuk, een familiedrama met maar vier personages. Ik repeteer elke dag met dezelfde vier mensen; wij gaan met elkaar een intense band aan. Meteen met het hele tableau de la troupe op toneel had ik misschien wel intimiderend gevonden. Het is makkelijker het zwembad in te gaan als er nog niet te veel mensen zijn.”

Spreektaal

Bij het leren van de tekst constateerde Nasr wel een verandering ten opzichte van dertien jaar geleden. „Destijds wilde ik de woorden puur sec leren, alsof ik van een muziekstuk alleen de noten leerde. De interpretatie kwam pas op toneel, in het samenspel met mijn tegenspelers. Maar ik speelde toen vaak poëtische, meer kunstzinnige teksten; Vondel, Shakespeare, Shelley. Die schrijvers nemen afstand van het normale spreekgedrag; hun teksten leer je op de cadans van de verzen. O’Neill schrijft extreme spreektaal. Het is onmogelijk zijn teksten te leren zonder dat je de personages hoort praten. De toon is er meteen. Dat leidt onmiddellijk tot herkenning.”

Lange dagreis naar de nacht toont een dag uit het leven van het getroebleerde gezin Tyrone. Vader (Scholten van Aschat) is een aan lager wal geraakt acteur, met een stevige hang naar de fles. Zoon Edmund (Fernhout) is een ziekelijk en klaaglijk moederskindje, broer Jamie (Nasr) een hoerenlopende, vuilbekkende cynicus. Het autobiografisch geachte stuk kent nauwelijks een plot, enkel hoog oplopende verbale conflicten. In het ijzingwekkende vierde deel wordt onontkoombaar dat moeder Mary Tyrone (Heebink) is teruggevallen in haar morfineverslaving.

Nasr: „Hoewel het autobiografisch is, zegt Lange dagreis iets over alle familiesituaties. Hoe je je altijd moet verhouden tot je familie; dat kan niet anders; je bent voor de helft de genen van je ouders, met een paar mutaties. Het ouder-kindthema is een onuitputtelijke dramatische bron. Niet voor niets begon Aischylos daar in 500 voor Christus al mee.”

Edmund is dichter, en het was dan ook regisseur Van Hoves eerste impuls om die rol aan Nasr te geven. „Maar ik vind Jamie véél interessanter. Van het gezin Tyrone is Jamie degene die altijd recht voor zijn raap is. Als de anderen nog een masker ophouden of de sfeer willen bewaken – ‘nee, moeder is niet weer verslaafd; ze heeft nog geen morfine genomen; het kan allemaal nog goed komen’ – dan is hij de enige die zegt: ‘nou, ik denk het niet. Jullie houden elkaar allemaal voor de gek, en ik ben de enige die de waarheid zegt. Ik vind het pijnlijk, maar zo zit het.’

Kool en geit

Je moet iemand niet casten op wie hij is, of wat voor beeld je van hem hebt, vindt Nasr. „Ik...” Hij aarzelt. Dan, resoluut: „Ik begrijp Jamie heel goed.” In welk opzicht? „Dat kan ik niet zeggen.” Na een korte stilte: „Soms liggen dingen dichterbij dan je had gehoopt.” Iets wil hij er wel over zeggen. Hij is lang een diplomaat geweest, zegt hij. „Maar op den duur wil je dan de kool en de geit sparen; dan bereik je niks. Inmiddels ben ik iemand die in bepaalde, lastige situaties een koe gewoon een koe noemt. Je kunt niet tot het uiterste een allemansvriend, een Edmund blijven. Dus soms komt er nu een Jamie in mij naar boven.”

Er is nog een opmerkelijke verandering. „Ik merk dat ik hier en daar durf in te grijpen in de tekst. Vroeger waren tekst en vertaling voor mij heilig. Nu vind ik het een bevrijding om te denken: ik zeg hier niet ‘goed’, maar ik zeg hier ‘oké’. Ik zeg niet ‘oudere broer’ maar ‘grote broer’. Jamie zegt overal in de tekst ‘jochie’ tegen zijn broer. Maar ik vind ‘jongen’ of ‘knul’ zelf geloofwaardiger in de 21ste eeuw.”

Heeft dertien jaar dichterschap zijn kijk op zo’n tekst veranderd? „Ik denk niet dat ik anders met de tekst omspring dan de andere acteurs. De vertaling [van Ger Thijs, red.] is heel mooi maar misschien af en toe ietsje gedateerd. Maar ik kan vooral ingrijpen omdat O’Neill daarom vraagt. Zijn personages zijn levensechte mensen, je hoort dat ze hardop hun gedachten uitspreken, en die moeten vloeiend zijn. Je moet het geloofwaardig uit je mond kunnen krijgen.”

Hij bladert in zijn script naar de scène waar Edmund, tot het uiterste getergd, zijn broer Jamie slaat. Vlak daarvoor citeert Jamie Kipling: ‘If I were hanged on the highest hill, Mother o’ mine, O mother o’ mine.’ „Dat kun je wel zo voordragen” – Nasr declameert stemmig en voornaam, zijn precieze Britse dictie nadrukkelijk articulerend – „maar je moet je afvragen: waar gáát die scène over? Jamie zuigt hier net zo lang tot Edmund uitbarst en hem in elkaar slaat. Het gedicht is eerder parodie. Dus ik dacht: hij zit daar een pesterig liedje te zingen. Gewoon een dom deuntje moet dat worden.” Nu zingt hij de tekst op de melodie van Worms van The Pogues. „De Tyrones zijn van Ierse afkomst. The Pogues zijn ook Iers. Dat vind ik belangrijk, want zo’n ingreep moet voor mij wel kloppen.” Stilte. „Maar is dit allemaal nou echt interessant?”

Première 25 aug., tournee t/m 13 dec. Inl. tga.nl