Het is prettig om het met elkaar eens te zijn

Psychologische experimenten zijn het leukst voor de lezer als de proefpersonen een beetje voor de gek worden gehouden. Als ze niet weten dat alle andere deelnemers aan het onderzoek erbij horen, bijvoorbeeld. En dat die zijn geïnstrueerd om foute antwoorden te geven, zoals in de beroemde onderzoeken van Solomon Asch, uit de jaren vijftig. Verbijsterd hoorden de echte proefpersonen de verkeerde antwoorden aan; vaak gingen ze zelf ook maar foute antwoorden geven, uit pure groepsdruk.

Een andere, recentere onderzoekslijn waarin de proefpersonen zich laten bedotten, is een stuk minder bekend en (misschien niet toevallig) een stuk ingewikkelder. Hierbij gaat het erom dat mensen zich soms juist te weinig van hun groepsgenoten aantrekken. Dat zouden ze wel wat meer kunnen doen.

Het onderzoek zit als volgt in elkaar. Proefpersonen moeten in groepjes een probleem oplossen. Ze moeten bijvoorbeeld uit drie kandidaten de beste voor een managementpositie kiezen. Iedereen in de groep krijgt andere informatie; door discussie moeten de groepsleden het eens worden. Als je alle informatie simpelweg bij elkaar zou leggen, zou blijken dat C de beste is: van hem zijn dan 9 positieve, 3 neutrale en 3 negatieve eigenschappen bekend. B is second best, met 6 positieve, 6 neutrale en 3 negatieve eigenschappen. A is de slechtste: 6 positieve, 3 neutrale, 6 negatieve eigenschappen.

Maar de onderzoekers hebben alle zes positieve eigenschappen van A aan iederéén in de groep gegeven, net als alle drie negatieve eigenschappen van C. En zowel de negatieve eigenschappen van A als de positieve eigenschappen van C hebben ze netjes over de groepsleden verdeeld. Zodat alle groepsleden vóór de discussie denken: we moeten A hebben, en die C, dat is zeker niks.

En dan blijken de groepsleden vooral die dingen te bespreken waarover ze het eens zijn (de goede eigenschappen van A, de slechte van C). Dat doen ze omdat het prettig is om het met elkaar eens te zijn – zie het groepsdrukonderzoek van Asch – maar ook omdat het statistisch het meest waarschijnlijk is dat het gesprek gaat over informatie die iedereen heeft. Bovendien vinden mensen hun eigen informatie belangrijker dan die van anderen. Komt een ander met iets wat niet in hun plaatje past, dan negeren ze dat het liefst. Of ze herinterpreteren het zodat het hun goed uitkomt (‘Een manager mag soms best asociaal zijn’).

Het gevolg is dat de proefpersonen niet met de beste oplossing komen, vaak zelfs met de slechtste. Het is onderzoek dat je lekker aan het denken zet over wat er in vergaderingen zoal gebeurt.