Optimisme is geen deugd – van arts noch Rutte

Optimisme geldt als eervol maar komt vaak neer op verstrekking van verkeerde informatie, waarschuwt Willibrord Beemsterboer.

Over ontwikkelingen op medisch, economisch of politiek gebied laten deskundigen regelmatig optimistische geluiden horen zonder dat duidelijk is waarop dat optimisme is gebaseerd. Daarom wordt veel van wat de moderne media aan informatie verstrekken misinformatie. Mensen worden op het verkeerde been gezet.

Premier Rutte kan wel het vlees geworden optimisme worden genoemd. Van hem kan alles niet optimistisch genoeg gezien worden, maar hoe kun je als kiezer weten of politiek optimisme gerechtvaardigd is als daar geen goede redenen voor worden gegeven?

Van voedingsmiddelen in de supermarkt willen we de ingrediënten kennen en die staan (wettelijk verplicht) keurig op de verpakking. Hetzelfde geldt voor geneesmiddelen, waar we ook nog de bijwerkingen bijgeleverd krijgen. Maar immateriële producten zoals ‘nieuws’ bevatten vaak hoopgevende berichten, met name van deskundigen, zonder dat die erbij zeggen waarover we hoopvol kunnen zijn en waarom. Een sprekend voorbeeld hiervan vormen signalen over de voortgang van het kankeronderzoek. Berichten van economen gaan niet altijd vergezeld van de reikwijdte van hun optimisme.

„Ik ben een optimist” is de slagzin die je mensen vaak hoort uiten en waar ze eer mee in leggen. Maar wat kopen we voor ongericht optimisme? Hoe kunnen we weten of dat optimisme het algemeen belang betreft, of een deelbelang, of wellicht alleen het belang van degene die zegt optimistisch te zijn?

Lang niet altijd gaan optimistische geluiden vergezeld van een indicatie van de reikwijdte. Gaat het optimisme van kankeronderzoekers over de vooruitgang in onze kennis van kanker in het algemeen, de diagnostiek, behandeling of prognose van alle of van bepaalde kankers? Veel medisch onderzoek dat wordt verricht strekt niet verder dan verfijning van inzicht over, en diagnostiek van, een bepaalde ziekte. Optimisme over de voortgang daarvan gaat (nog) niet over verbetering van de behandeling. Positieve resultaten in dierproeven of bij kleine groepen patiënten zijn in de beginfase alleen onder voorbehoud hoopvol.

Lang niet altijd is in de berichtgeving over de vooruitgang in medisch onderzoek duidelijk waarover men hoopvol gestemd is en waarom. Voor onderzoek door economen geldt hetzelfde. Heeft het optimisme dat zij uitspreken betrekking op de aandelenkoersen, de staat van ‘s Rijks financiën of de werkgelegenheid?

Het optimisme van politici is zo mogelijk nog diffuser en daarmee het gevaarlijkst. Want politici kunnen na verkiezingen macht krijgen en als hun eerder geuit optimisme dan op drijfzand gebouwd blijkt te zijn kunnen ze, om het kiezersvolk toch tevreden te stellen, oneigenlijke middelen gaan gebruiken om dat doel alsnog te bereiken. Gelukkig komen corruptie en wetenschappelijke fraude (ook een manier om het eerder uitgesproken optimisme een handje te helpen) vroeg of laat in de openbaarheid en dat maakt het probleem minder groot. Een groter probleem is wellicht, dat deskundigen over ontwikkelingen in de geneeskunde of de economie verwachtingen wekken waarvan mensen hoopvol gestemd raken, zonder te weten waar die positieve verwachtingen precies over gaan.

Als je beweert optimistisch te zijn, zeg er dan direct bij op welke ontwikkeling je precies doelt. En dat graag zo gedetailleerd mogelijk. Is het bijvoorbeeld reageerbuisoptimisme dat niet verder strekt dan de deur van het laboratorium en nog een heel lange weg te gaan heeft vooraleer de huisarts het recept voor het geneesmiddel voorschrijft dat de kwaal doeltreffend gaat bestrijden? Gaat het om optimisme over de korte termijn ontwikkelingen van de economie die vooralsnog geen effect zullen hebben op de werkgelegenheid en het begrotingstekort niet substantieel zullen terugdringen? Kortom: aan ongericht optimisme heeft niemand wat en zonder context is het eigenlijk een vorm van misinformatie.

Vandaar een pleidooi voor een code die deskundige optimisten dwingt hun optimisme te nuanceren. Een econoom die zegt dat de economische situatie hem optimistisch stemt moet dan aangeven of dit slaat op bijvoorbeeld de bedrijfswinsten, de werkgelegenheid of de staat van ‘s Rijks financiën. Blijkt dat onvoldoende uit zijn artikel of zijn antwoorden in een vraaggesprek, dan schiet hij tekort. De nieuwswaarde van zo’n artikel of interview is dan gering. Net als bij boek- en filmrecensies een kwaliteitsindicatie met sterretjes wordt vermeld, wordt bij optimistische geluiden van kankeronderzoekers, economen of politici standaard aangegeven op welke terreinen dat optimisme betrekking heeft. De zorgconsument, burger of kiezer weet dan tenminste waar die deskundigen optimistisch over zijn en of het zijn lot vandaag al raakt of misschien pas over decennia.

Willibrord Beemsterboer is arts.