De patiënt is niet enkel een lichaam

Arts Eric de Winter gooit communicatie over de heg van de kwakzalver. Een weinig wetenschappelijke karikatuur, betogen Frans Vosman en Andries Baart.

Het is niet meer reëel om van een arts communicatieve vaardigheden te eisen, betoogde gepensioneerd GGD-directeur Eric de Winter op 15 augustus in deze krant. De moderne arts is wat hem betreft gewoon een techneut die het praten maar aan ,,de kwakzalvers” moet overlaten. Op basis van onderzoek zien wij dit toch een tikkeltje anders.

Zelfs als een arts een techneut zou zijn – laten we even meegaan in deze onzalige gedachte – heeft hij ‘communicatie’ nodig om een goede arts-techneut te zijn en wel in vijfvoudig opzicht. Voor de diagnose (in de anamnese moet de patiënt toch adequaat kunnen uitleggen waarvan hij last heeft), voor toestemming tot een ingreep (het zogeheten consent), ter bepaling van het streefdoel (waarop wordt de behandeling gericht?), om therapietrouw te kunnen bewerkstelligen (het commitment van de patiënt) en om te kunnen weten wanneer er gestopt moet worden (tegen doorbehandelen). En dan zwijgen we nog over de communicatie die nodig is om de doktersrekening betaald te krijgen. Het is dan ook geen goed idee, zelfs niet voor techneuten, communicatie over de heg te gooien als iets voor de zielknijper.

De dokter doet iets aan het lichaam en kan daartoe desnoods een techneut zijn, maar dat lichaam is van een persoon en die kan niet weggelaten worden. Het lichaam is immers voor zijn dood niet los verkrijgbaar. De core business van de dokter is niet het lichaam maar de patiënt, de persoon. En die persoon heeft soms uitleg, troost, bemoediging en advies nodig, desnoods van een techneuterig type. Het is de patiënt die toestemming geeft (dat doen lichamen niet) en die lijdt (het lichaam ervaart hooguit pijn).

In de krant stond vorige week dat er cursussen worden aangeboden aan patiënten om met hun dokter te kunnen praten. Ook in het vakblad Medisch Contact vindt men dat de wereld op zijn kop: als de patiënt op cursus moet, is er iets mis met de dokter, waarschijnlijk heeft deze het advies van Eric de Winter opgevolgd niet te communiceren. De communicerende dokter is volgens hem slechts een uitlegger die patiënten platpraat en voornamelijk gebakken lucht verkoopt. Echte Dokters zouden deze schaamlap van communicatie niet nodig hebben.

Patiënten lijken dat soms ook te denken: ‘Liever een goede chirurg die slecht communiceert dan een aardige die niet snijden kan.’ Dat communicatie ook dialoog, beraadslagen en gezamenlijk besluiten omvat, is hier buiten beeld gedrukt.

Soms kan er inderdaad een diagnose gesteld worden zonder dat het gesprek er toe doet: scans, onderzoek aan bloed, de testuitslag van de ogen, kijken naar de lichaamshouding – het zijn vaak betere bronnen om te begrijpen wat iemand mankeert dan het gesprek met de patiënt. Dat is echter geen reden om een karikatuur te maken van de communicatie. Juist dat domein verdient serieus onderzoek, naar relationele zorg en de wenselijke plek van techniek in de geneeskunde, of beter: in het dokteren.

Frans Vosman is hoogleraar zorgethiek en Andries Baart is bijzonder hoogleraar zorg en presentie. Beiden verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek.