Veel festivals in nood, achter façade van succes

Nederlanders zijn afwachtend als het gaat om cultuurbezoek. Maar worden muziek, theater of film per festival aangeboden, dan staan ze in de rij. In juni zorgt theater- en muziekfestival Oerol ervoor dat Terschelling uit zijn voegen barst. In januari puilen de Rotterdamse filmtheaters uit dankzij het International Film Festival Rotterdam (IFFR). Deze weken stromen de klassieke-muziekliefhebbers toe voor het Grachtenfestival Amsterdam. En dit weekend was er het uitverkochte Lowlands, het popfestival waar het publiek zó graag naartoe wil dat het zich van toegang verzekert nog voor het programma bekend is.

Wat die festivalkoorts betekent, staat nog te bezien. Het publiek lijkt vooral tuk op een massale ervaring. Het grootschalige karakter is deel van de attractie. Zo is een volle zaal op IFFR geen garantie voor een bioscoopsucces elders in het jaar.

Het succes van festivals leidde tot navolging op alle fronten. Vooral het aantal muziekfestivals groeide gestaag. Dat succes blijkt bedrieglijk. Nederlanders hoppen niet welgemoed van het ene festival naar het andere, blijkt. Er zijn er zo veel dat je je afvraagt wie daar naartoe moeten gaan. Ze vissen in dezelfde vijver van festivalgangers, die zelfs als ze dat wilden niet al die festivals zouden kunnen bezoeken. Daarom wordt er gestunt met toegangsprijzen en worden er festivals bekort of afgelast. In Nederland zijn te veel festivals voor te weinig publiek, zo blijkt uit marktonderzoek. Juist pop- en dancefestivals trekken minder volk. Of ze doen het minder dan verwacht, zelfs oudgedienden als Pinkpop en Dance Valley.

Er komt bij veel festivals dus minder geld binnen. Wie minder bezoekers trekt, is minder attractief voor sponsors die in de crisis sowieso al aanleiding zien hun bijdrages te heroverwegen. Daarnaast er is veel minder subsidie beschikbaar dan voorheen. Anderzijds wordt de organisatie zakelijker. Goodwill voldoet niet meer, de bands vragen contracten en gegarandeerde gage.

Zeker zo belangrijk als een gezond financieel beleid is het op orde houden van het publieksbereik. Een festival gedijt bij de massa. Eén keer lege terreinen of zalen, betekent het einde. Een slecht bezocht festival krijgt geen herkansing, dat is er geweest.

Het is tijd voor tobbende culturele festivals hun bestaansrecht te heroverwegen. Hoe sympathiek ook van opzet en inhoud, ze bestaan niet voor degenen die ze organiseren maar voor het publiek. Wordt dat publiek niet verleid dan is het festival overbodig. Er bestaan ook gelegenheidsfestivals: kleinschalig, eenmalig een niche aanborend, en dan: op naar het volgende plan. Het Haags Filmhuis doet dat al jaren. Het werkt.