Vijftig jaar de pil, maar waar is de keuzevrijheid? Stop met die naïeve moederschapsideologie

Het moederschap wordt verheerlijkt. Een eerlijke afweging tussen wel of geen kinderen lukt zo niet, stellen Dep Appel en Wytske Mertens.

Foto Stock.xchng

Vijftig jaar geleden kwam de anticonceptiepil in Nederland op de markt. Sindsdien is kinderen krijgen steeds vaker een keuze. Maar echt vrij is die keuze niet. Het denken over ouderschap staat onder invloed van ideeën die het hebben van kinderen stimuleren. Het is na vijftig jaar tijd om op objectievere gronden al dan niet te kiezen voor het ouderschap.

Kinderen hebben is een trend. Vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw laten vrouwen zich (in navolging van Demi Moore) massaal zwanger fotograferen, de zwangerschapsmode accentueert dikke buiken en de kinderwagen mag steeds meer kosten. Kleine kinderen zijn ‘het mooiste dat je kan overkomen’ en daar heb je dus ‘alles voor over’.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) berekende in 2011 dat aan kinderen inmiddels bijna twee keer zoveel tijd wordt besteed als in 1980. De mate waarin met name moeders bereid zijn zichzelf weg te cijferen zegt iets over de waarde die zij hechten aan hun kinderen – maar ook veel over hoe belangrijk zij zelf denken te zijn. Waardoor is deze trend veroorzaakt?

Om te beginnen heeft de opvoedmethode attachment parenting, die in Nederland bekend is geworden als ‘natuurlijk ouderschap’, invloed op denken over ouderschap. Volgens deze methode moeten kinderen zo lang mogelijk borstvoeding krijgen, het liefst bij de ouders in bed slapen (of vlak naast het bed), worden gedragen in een draagdoek en direct worden getroost als ze huilen. Door de nadruk die attachment parenting legt op de rol van de moeder, wordt ook wel gesproken van een ‘moederschapsideologie’.

Daarnaast wordt vaak gesteld dat een kinderwens een lichamelijk verschijnsel is: dat elke vrouw vroeg of laat de fysieke behoefte aan kinderen krijgt. Verder zou het ouderschap een ‘levensvervulling’ zijn; iets dat hoort en altijd al zo geweest is. Je wordt er hoe dan ook gelukkiger van, zo is het idee.

Al deze ideeën zijn regelmatig bestreden. Op attachment parenting kwam uit wetenschappelijke hoek kritiek van socioloog Sharon Hays en de Afrikaans-Britse auteur Aminatta Forna. Zij schreven dat de moederschapsideologie een zeer dunne wetenschappelijke basis heeft, en dat veel te verregaande conclusies worden getrokken. Geen enkele hechting of fysiek contact vanaf de geboorte is bijvoorbeeld schadelijk voor baby’s. Maar dat betekent niet dat continu fysiek contact en de meest intensieve hechting noodzakelijk zijn. En het feit dat de vrouw de enige is die het kind kan baren en borstvoeding geven, wil niet zeggen dat de vrouw de beste ouder is om voor het kind te zorgen, zo stellen Hays en Forna.

Verder is de stelligheid waarmee de, door sommige moeders als ‘borstvoedingsmaffia’ aangeduide voorstanders van langdurige borstvoeding hun evangelie verkondigen, niet terecht.

Grootschalig wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat de voordelen met name significant zijn in niet-geïndustrialiseerde en in derde wereldlanden. En het is niet aangetoond dat het beter is om je baby bij je te laten slapen; er zijn verschillende redenen om het niet te doen, bijvoorbeeld omdat ouders er lichter door slapen terwijl ze hun rust zo hard nodig hebben.

Dat de wens om kinderen te krijgen biologisch is, werd bestreden door bioloog Midas Dekkers. Hij schreef: ‘De natuur heeft een beloning gesteld op paren, niet op baren’. Oftewel: de instandhouding van de soort is veiliggesteld doordat mannen en vrouwen met regelmaat zin krijgen in seks. Dat er kinderen uit voort (kunnen) komen, speelt daarbij geen rol. Mensen kunnen wel graag kinderen willen, zoals andere mensen graag een eigen huis willen bouwen of een boek willen schrijven, maar dat is geen biologisch verschijnsel. Het idee dat elke vrouw haar lotsbestemming vindt in het krijgen van kinderen is een modeverschijnsel. In de Middeleeuwen bijvoorbeeld, werden kinderen als ‘kleine duivels’ gezien die getuchtigd moesten worden. En in het koloniale Amerika waren het juist de vaders die zich bekommerden om de kinderen als zij ’s nachts huilden, omdat vrouwen hiervoor te amoreel en te zwak werden gevonden.

Tot slot is het ook niet zeker dat kinderen gelukkiger maken. Zo publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) eerder dit jaar onderzoek waaruit naar voren kwam dat mensen het gelukkigst zijn tijdens de zwangerschap. Maar na de geboorte daalt dat geluksgevoel langzaam tot het na één tot twee jaar terug is op het niveau van voor de zwangerschap. Dit effect is er alleen voor de geboorte van het eerste kind. Rond de geboorte van het tweede en derde kind is geen gelukspiek zichtbaar. Het is een kortstondige high voor een levenslange verbintenis.

Kortom, het moederschap is een sociale constructie waarvan de betekenis in de loop van de geschiedenis steeds anders werd ingevuld en het is geen natuurlijk en statisch bijproduct van het biologische feit dat vrouwen kinderen kunnen krijgen. Deze manier van denken is niet zo onschuldig als het lijkt. Het veroorzaakt persoonlijke en maatschappelijke problemen en vertroebelt de keuze om al dan niet te kiezen voor kinderen.

Ten eerste bestaat het risico dat mensen met de verkeerde verwachtingen voor kinderen kiezen. Ten tweede ondermijnen de ideeën de mogelijkheid dat vaders of andere verzorgers belangrijk zijn. Ten derde leggen ze een grote druk op moeders, die vaak schuldgevoelens ervaren ten aanzien van hun kinderen.

Ten eerste de verwachtingen over het hebben van kinderen: het rooskleurige beeld van moederschap kan mensen die niet zeker weten of ze kinderen willen, beïnvloeden om er toch aan beginnen. Maar er zijn wel degelijk mensen die beter geen kinderen hadden kunnen krijgen; ze zijn er niet geschikt voor en hebben er geen plezier in.

Te optimistische verwachtingen kunnen ook veroorzaken dat ouders onvoldoende voorbereid zijn op de zware taak: bij onderzoek door het SCP in 2011 gaf maar liefst 50 procent van de vaders en 58 procent van de moeders aan dat het ouderschap ‘moeilijker is dan zij van tevoren dachten’.

Zulke hoge aantallen zeggen iets over hoe moeilijk het is om kinderen op te voeden, maar ook over de onrealistische verwachtingen die mensen hebben over ouderschap.

Ten tweede zit er al jaren geen schot in de participatie van vaders in het gezin. Het aantal mannen dat evenveel blijft werken, of zelfs meer gaat werken na de geboorte van het eerste kind ligt rond de 90 procent, staat in de Emancipatiemonitor. Hier toont zich het effect van het moederschapsdenken.

Kiezen voor kinderen is voor de meeste mensen kiezen voor een traditioneel rolpatroon, want de premisse is dat een kind de moeder meer nodig heeft dan de vader.

Maar als de ideeën over de ideale moeder worden losgelaten, dan is die 90 procent een verontrustend percentage. Dan is het slecht dat de ouders de vader veroordelen tot de marge van het leven van hun kinderen. Ook voor stiefouders en kinderen (volgens het Nederlands Jeugdinstituut is zo’n tien procent van alle gezinnen met kinderen onder de achttien een ‘stiefgezin’) is het bijna onmogelijk om een betekenisvolle band op te bouwen door de mythische status van de biologische moeder. Wie denkt dat het derde punt, het schuldgevoel, alleen te maken heeft met de combinatie van werk en kinderen vergist zich.

Uit onderzoek van Sharon Hays blijkt niet dat er een strijd bestaat tussen werkende en niet-werkende moeders, al worden ze in de media vaak tegenover elkaar gezet. Beide groepen hanteren hetzelfde ideaal als meetlat en voelen zich schuldig omdat ze niet aan dat onmogelijke ideaal voldoen.

Het ‘eeuwige schuldgevoel’, zoals minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het onlangs noemde, zal pas kunnen verdwijnen als we ons denken over ouderschap radicaal veranderen.

Bovendien legt de moederschapsideologie een stevige druk op de moeder-kindrelatie. Vader die bij een schoolopvoering aanwezig is of die thuisblijft als het kind ziek is krijgt alle lof. Met elke bijdrage scoort hij punten. Bij de moeder gaat de balans pas bewegen wanneer ze er niet is. Haar aanwezigheid is ‘normaal’, afwezigheid wordt haar aangerekend – ook door haar eigen kinderen.

Te doorzien dat dit opvattingen en mechanismes zijn die veroorzaakt worden door een onjuist en sociaal geconstrueerd beeld van de moederrol, kan veel opluchting geven voor het hele gezin. Het aantrekkelijke van de heersende ideeën over ouderschap is dat ze de moeder op een voetstuk plaatsen: zij is zeer bijzonder, onvervangbaar en de belangrijkste ouder.

Kinderen krijgen lijkt voor vrouwen een haalbare strategie om respect, zelfrespect en geluk te verkrijgen. Maar de ideologie is een slechte raadgever als het gaat om het kiezen voor kinderen. Misschien kunnen mensen wel langdurig gelukkiger worden door het krijgen van kinderen als ze vanuit andere verwachtingen aan kinderen beginnen.

De heersende ideeën zouden daarvoor moeten worden vervangen door een nieuw paradigma. Een nieuwe maatschappelijke opvatting van ouderschap waarin moeders niet automatisch de meest belangrijke ouder zijn, en waarin niet het krijgen van kinderen op zich – maar wel het opvoeden van kinderen tot zelfstandige volwassen respect oplevert.

Vaders en moeders, stiefvaders en stiefmoeders, pleegouders of adoptieouders verdienen respect naarmate zij aan deze opvoeding bijdragen.

In die nieuwe situatie beseffen mensen die staan voor de keuze om ouder te worden dat de intense band tussen ouder en kind voortkomt uit de hoeveelheid werk die er in gaat zitten.

Dat het leuk en bevredigend kan zijn als je ook veel van de dingen die bij ouderschap horen leuk vindt: helpen op school en sportvereniging, regels en grenzen stellen, onverwachte gebeurtenissen het hoofd bieden, troosten, zorgen en aandacht geven. Veel wassen en koken; minder uit eten of naar de bioscoop. Bedenken hoeveel beltegoed passend is, wanneer je gaat praten over condooms en wat je moet met het besluit van je kind om te stoppen met de studie.

Met een dergelijke, eerlijke visie hoeft niemand zich verplicht, schuldig of superieur te voelen: zowel een leven met als zonder kinderen kan de beste keuze zijn. Dat verschilt per persoon. Maar na vijftig jaar keuzevrijheid door de anticonceptiepil is het tijd voor een eerlijke afweging.

Deb Appel is politicoloog en organisatieadviseur. Wytske Mertens is publicist en vormgever.