‘Ik zou niet wéten wat wij gemeen hebben’ ‘Waar héb je het over, denk ik soms’

Een zomeravondgesprekover het leven tussen strafrechtadvocaat Bénédicte Ficq en denker en publicist Joshua Livestro. „Hij heeft Sarah Palin geadviseerd. Een hysterische vrouw.”

None
Foto’s David van Dam

Rond half zes komt ze aanrijden, op een OV-fiets. Zwarte broek, getailleerd colbert. Bénédicte Ficq heeft nauwelijks bagage bij zich, alles past in een kleine tas. Als de fotograaf haar vraagt of hij haar persoonlijke spullen mag vastleggen, schudt ze resoluut haar hoofd. „Daar gaan allerlei gekken over twitteren. Sorry fotograaf, maar ik laat je niet op mijn kamer toe.”

De bekende strafpleiter houdt niet van poseren. Dan verkrampt ze, legt Ficq uit. „Maar ik wil best met mijn huurfiets op de foto. Dan kom ik gewoon nog een keer aanrijden. Ziet het er een beetje natuurlijk uit.”

Na het inchecken schuift Ficq aan op het terras. Ze twijfelt: wel of geen witte wijn? Als ze alcohol drinkt kan ze in een bepaalde stemming raken. Dan gaat ze provoceren, of kan ze haar lachen niet bedwingen. Dat is niet de bedoeling, zegt Ficq. „Ik hoop niet dat ik een foute bui krijg, dan kan ik heel vervelend zijn.”

Nou, vooruit, toch een wijntje. „Maar ik doe rustig aan”, waarschuwt ze. Om vervolgens mee te delen dat ze het niet laat maakt. „Ik heb morgen een belangrijke voorgeleiding waarvoor ik echt helder moet zijn.” Dus uiterlijk middernacht naar bed? „Nou, ik weet niet of ik dat trek hoor, met Joshua.”

Joshua Livestro is rond vijf uur op Schiphol geland. De rechtse denker en publicist is getrouwd met een Britse en woont in Nottingham. Ficq heeft een onderzoekje naar hem gedaan. Ze deelt de meest saillante resultaten. „Hij heeft Sarah Palin geadviseerd. Een hysterische vrouw.” Ficq lacht en kijkt om zich heen. „Ik hoop vanavond te horen dat hij verantwoordelijk is voor haar uitglijers. Dat hij Palin expres verkeerd heeft voorgelicht om haar af te laten gaan. Dat zou ik geniáál vinden.” Verder weet ze dat Livestro columnist is bij De Telegraaf – niet bepaald haar lijfblad. „En hij is heel christelijk...” Ze fronst bedenkelijk.

Je hebt héél goede christenen, haast Ficq zich te zeggen. SGP-voorman Kees van der Staaij bijvoorbeeld: een prima vent. Maar ze staat toch een beetje wantrouwend tegenover het geloof. Ze wordt er zenuwachtig van. „Omdat het zo veroordelend is. En het strookt ook niet met bepaalde keuzes die ik in mijn leven heb gemaakt.”

Ficq doelt op haar privéleven. Ze is getrouwd met historica Dorine Hermans. Samen hebben ze twee kinderen. „Christenen kunnen dat niet altijd waarderen.” Ze lacht. „Dat wordt leuk straks met Joshua. Jullie weten precies op welke knop jullie moeten drukken.”

Het liefst had ze een avond met Geert Wilders doorgebracht. Als ze de PVV-leider op tv ziet denkt ze: wanneer durf jij nou eens het debat aan te gaan?. „Ik heb de indruk dat hij enorm bedreven is in het debatteren met politici en ontregeld wordt als er een niet-politicus tegenover hem zit.” Wat zou ze Wilders graag in de ogen kijken en vragen wat er met hem aan de hand is. „Waarom focust hij zo op de islam en zet hij mensen tegen elkaar op?”

Eigenlijk heeft Ficq het niet zo op politici. Waarom nemen ze niet de moeite haar klantenbestand te bezoeken? „Dan denk ik, man, ga eens praten met een gedetineerde, een jonge Marokkaan bijvoorbeeld.” Ficq wil ze graag snappen, de jonge Marokkanen die ze als cliënt heeft. Ze maakt interessante dingen met ze mee. „Dan bekennen ze tegenover Allah en niet tegenover een wereldlijke rechter.”

De strafpleiter heeft er niet per definitie moeite mee als een cliënt tegen haar liegt. Daar kunnen ze een goede reden voor hebben, zegt ze. Ficq heeft vaker meegemaakt dat cliënten tegenover haar een bekentenis deden, terwijl ze onschuldig waren. „Ik ben daardoor heel nederig in het beoordelen van het waarheidsgehalte van een verklaring.” Haar stelregel is simpel: er moet voldoende bewijs zijn om iemand te kunnen veroordelen.

Ze buigt voorover. „Ik had een keer een zaak: zó ontroerend. Ik verdedigde een jongen die een ernstig delict had bekend. Alles klopte. Hij wist details die hij anders nooit had kunnen weten. Daderwetenschap noemen ze dat in mijn vak. Dus ik trok de conclusie dat hij het gedaan had. Hoe kon hij anders al die dingen weten, waarvoor bovendien technisch bewijs was?”

Dat hij toch onschuldig was, hoorde Ficq van zijn jongere broer. Die kwam op een woensdagmiddag bij haar op kantoor voor „een vertrouwelijk gesprek”. „Een slimme jongen, hij zat in 5 vwo. Hij vertelde dat hij achter het delict zat. Maar zijn ouders hadden het niet aangekund als hij, de succesvolle zoon, werd opgesloten. En zijn broer zat tóch al in de gevangenis, hij was een recidivist. Dus had hij alle details aan zijn oudere broer verteld, die daarmee een succesvolle bekentenis kon afleggen.”

Ficq noemt het „echte broederliefde”. „De werkelijke dader kampte met een enorm schuldgevoel. Het was een pittig delict, dat zijn broer jaren celstraf opleverde.” Of ze er zelf wakker van heeft gelegen? Ze kijkt verbaasd. „Totaal niet. De jongen had de helft van zijn leven al in de bajes doorgebracht en nam de schuld met veel liefde op zich.”

Maar had ze er geen moeite mee dat de rechter voor de gek werd gehouden? Wacht even, zegt Ficq. „Mijn cliënt hield de rechter voor de gek. Maar zijn verklaring werd getoetst aan de inhoud van het dossier. Als uit het dossier blijkt dat de details die hij verklaart, overeenkomen met het overige bewijsmateriaal, denken ze: die verklaring is waar.” Het is niet haar taak bewijs te leveren, dat moet het openbaar ministerie doen, vindt Ficq. „Het is een mooi voorbeeld van hoe onwaar een bekentenis kan zijn.”

De zon werpt al schaduwen over het terras als Livestro per taxi arriveert. Ficq neemt het tafereel nieuwsgierig in zich op. „Ik ben zó benieuwd, ik doe net of ik hem niet zie!”

Livestro loopt met uitgestoken hand op haar af. Hij draagt een zomerse outfit en trekt een rolkoffer achter zich aan. „Ik ga dit even afleveren”, zegt hij. Voor Ficq er erg in heeft, is hij alweer verdwenen. „Zag je dat koffertje? Het leek wel een bómkoffertje.”

Als Livestro (42) een kwartier later aanschuift, kijkt Ficq hem onderzoekend aan. Mag ze hem tutoyeren? En klopt het dat hij in het torentje logeert?

Livestro: „Ja, helaas, want ik heb hoogtevrees. In mijn studententijd woonde ik op de twintigste verdieping. Ik kroop langs de muren naar de voordeur. Maar als ik straks meteen ga slapen is er niets aan de hand.”

Livestro bestelt rode wijn. Hij zegt dat hij Ficq nooit ontmoet heeft, maar wel kent „qua reputatie”. Hij houdt de kranten bij en dan is haar naam moeilijk te missen. Hij somt op: Badr Hari, de balpenmoord...

Ficq: „Je bedoelt de balpenzaak..”

Livestro: „Pardon, záák, een kleine nuance.”

Ficq brak in 1996 door toen ze een jongen bijstond die verdacht werd van de moord op zijn moeder. Hij zou haar hebben gedood met een door een kruisboog afgeschoten Bic-pen. In hoger beroep werd de jongen wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken.

Ficq zegt dat ze zich „een beetje heeft verdiept” in Livestro. Ze is „achter bepaalde dingen gekomen”. „Als ik jou zou moeten positioneren, zou ik zeggen: de conservatieve, rechtse hoek.”

Livestro: „Dat klopt aardig.”

Ficq: „En wat moet ik mij daar bij voorstellen?”

Livestro: „Gezond verstand en goed fatsoen. Conservatieven streven naar minder overheidsbemoeienis en hebben weinig op met subsidies. In cultureel opzicht willen conservatieven de eenheid bewaren.”

Ficq: „Dat klinkt mij nogal vaag in de oren. Ik heb ook een gezond verstand en mag hopen dat ik fatsoenlijk ben.”

Livestro, lachend: „Het conservatisme is voor iedereen.”

Ficq: „Ik werd getriggerd door het woord ‘eenheid’. Bedoel je dat we andere waarden buiten de deur moeten houden?”

Livestro: „Nederlanders zijn gesteld op hun vrijheid. We zijn een volk van kleine boeren. Een zekere mate van sociale cohesie wordt belangrijk gevonden.”

Ficq: „Stel dat een Marokkaan in Nederland geboren is en hier kinderen heeft opgevoed. Noem je hem dan een Nederlander?”

Livestro: „Ja, waarom niet? Ik ben niet zo van het terugsturen. Als ze de wapens opnemen is het een ander verhaal. Maar als Marokkanen vrouwen of homo’s als ondergeschikten zien, is dat een Nederlands probleem dat we hier moeten oplossen.”

Livestro vertelt dat hij VVD-lid is. Dat heeft hij van huis uit meegekregen. „Ik ben opgegroeid met de heilige drie-eenheid: Tros, Wiegel, Telegraaf.” Het geloof ontdekte hij pas rond zijn dertigste, toen hij zich bekeerde tot het christendom. In die tijd reisde hij veel met de trein en begon de Griekse filosofen te herlezen, zoals Plato. „Waarheid, schoonheid, waarachtigheid. Zijn het absolute categorieën? Kunnen ze iets hogers vertegenwoordigen?” Hij deed in die tijd ook een alphacursus, een kennismaking met het christelijke geloof. Hij kwam „tot de conclusie” dat er een God moest zijn die inhoud aan deze begrippen gaf.

Daarna las hij het Oude en Nieuwe Testament. „Het moeilijkste is de vraag of je in de wederopstanding van Jezus gelooft, de kern van het christelijke geloof. Ik ben tot de overtuiging gekomen dat Hij is opgestaan. Maar dat is wel een kloof waar je overheen moet. Daar kun je jezelf niet overheen denken. Je gelooft het of niet.” Zijn geloof is niet dogmatisch, zegt hij. Bidden vindt hij moeilijk. „Dan moet je jezelf overgeven, hè. Eigenlijk is het wezen van geloof twijfel.”

Maar het geloof is niet zijn grootste bron van twijfel. Op het moment twijfelt Livestro vooral aan zijn VVD-lidmaatschap. Hij hangt als het ware „met mijn vingernagels” aan de partij. Livestro kent Rutte redelijk goed, heeft hem geadviseerd in het verleden. „Een aardige kerel, die overtuigd is van de optimistische verhalen die hij vertelt. Maar het beleid dat hij uitdraagt staat haaks op die verhalen, het is een recept voor blijvende ellende. Zijn programma van lastenverzwaring gaat leiden tot blijvend lage groei of zelfs recessie.”

Ficq vraagt waarover hij Rutte geadviseerd heeft.

Was het puur inhoudelijk? Livestro antwoordt dat hij zijn mening gaf over strategische zaken. In de aanloop naar de verkiezingen van 2010 zat hij in een clubje adviseurs, samen met onder anderen Edith Schippers, minister van Volksgezondheid, en Uri Rosenthal, voormalig minister van Buitenlandse Zaken. „Ik had een klein rolletje, maar vond het zeer interessant.”

Livestro zegt dat hij destijds voorstander was van de coalitie die gevormd werd: CDA, VVD en PVV in een gedoogconstructie. „Een misrekening”, geeft hij toe. Livestro heeft Wilders nooit ontmoet, maar weet wel dat de PVV-leider niet serieus was in zijn streven de coalitie overeind te houden. „Ik heb begrepen dat de druk hem te veel werd. Dat hij zwalkte tussen wel en niet doorgaan en uit arren moede is gestopt. Omdat dat makkelijker is dan wél doorgaan. Dat is geen ondergrond waarop je een huisje wilt bouwen.”

Ficq: „Vraag je je nooit af of de mensen die je adviseert deugen?”

Livestro: „Of ze déugen? Deugt een psychopaat? Er zijn genoeg psychopaten die redelijk normaal functioneren...”

Ficq: ...maar die ook levensgevaarlijk zijn. Omdat ze manipulatief zijn en iedere vorm van empathie missen. Is dat voor jou irrelevant?”

Livestro: „Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik voor Adolf Hitler ging werken.”

Ficq: „Ja, daar noem je een extreem voorbeeld.”

Livestro: „Maar jij schetst het beeld van iemand die extreem gevaarlijk is.”

Ficq: „En jij zegt dat je voor een gedoogconstructie bent terwijl je Geert Wilders nooit hebt ontmoet.” Zelf stemt ze op D66, zegt Ficq. „Een partij voor fatsoenlijke mensen met gezond verstand.”

Livestro: „Ook dat nog.”

Ficq: „Ik vind het belangrijk dat het milieu wordt beschermd. Dat is de kurk waarop wij kunnen voortbestaan. Ik ga steigeren als een partij zegt dat er meer asfalt moet komen en dat de files moeten worden opgelost. Als ik aan het hoofd van dit land zou staan, zou ik op dat gebied vergaande maatregelen nemen.”

Livestro: „En als gewoon doorrijden beter voor het milieu is dan in de file staan?”

Ficq: „Gewoon doorrijden levert veel meer auto’s op. Ik zou vergunningen geven. Ik ben opgegroeid in een boerengehucht. Onze buren hadden kinderen, met allemaal een eigen auto. Er stonden daar zeven auto’s op het erf. Zeven auto’s! Dat vind ik ri-di-cuul.”

Livestro trekt zijn wenkbrauwen op. „Wil je zeggen dat we voortaan maar....”

Ficq: „Jawel! Je moet er over nadenken. Heeft iemand die gezond is per se een auto nodig? Gezinnen die meer auto’s willen, zouden aan een aantal voorwaarden moeten voldoen. Dat je bijvoorbeeld werkt op een plek waar geen openbaar vervoer is. Als je jong en fruitig bent: pak de fiets. Het milieu is van ons allemaal. Mensen denken maar dat ze het publieke domein mogen verpesten. Dat irriteert me mateloos.”

Livestro: „Ik heb geen mening.”

Ficq: „Hoezo?”

Livestro: „Vooruit, ik ben er sterk tegen. Een vergunningenstelsel? Ik krijg er de koude rillingen van. Je kunt geen wet uitvaardigen: pak de fiets. Ik heb alleen een moreel oordeel over de mate van luiheid. Maar de politiek moet zich afvragen wat de effecten van een groeiend wagenpark zijn voor het milieu. Ik ben er van overtuigd dat de omvang van het wagenpark niet automatisch leidt tot grotere milieuschade. De auto’s worden schoner. De luchtkwaliteit is beter dan hij was.”

Als de fotograaf met Livestro naar diens kamer loopt, om zijn persoonlijke spullen te fotograferen, haalt Ficq even adem. Ze zegt dat Livestro een andere taal spreekt. Een taal die zij niet goed verstaat. „Het is abstract. Het zegt me niets. Waar héb je het over, denk ik soms.”

Livestro keert even later opgewekt terug van zijn fotosessie. De fotograaf heeft zijn boek Kublai Khan gefotografeerd, over een Mongoolse koning. En hij moest zijn iPhone en portemonnee afgeven. Ficq zegt dat ze de fotograaf niet heeft toegelaten op haar hotelkamer. „Maar ik dacht dat dat er bij hoorde”, zegt Livestro verbaasd.

Even later informeert hij naar haar cliënt Badr Hari, de kickbokser die wordt verdacht van de mishandeling van miljonair Koen Everink op dancefeest Sensation. Wat deed Ficq besluiten zo’n geruchtmakende zaak aan te nemen, vraagt Livestro zich af.

Ficq: „Ik had Badr al eerder verdedigd. Dus toen hij zich bij mij meldde met de vraag of ik hem wilde bijstaan, zei ik ja. Vooraf kon ik niet bevroeden dat het zo’n publiciteit zou genereren.” Er zijn vele redenen, zegt Ficq, om een zaak aan te nemen. Soms zegt ze ja vanwege de wijze waarop iemand haar benadert.”

Livestro: „Je doet het op gevoel?”

Ficq: „Ja, ik ben een gevoelsmens.”

Livestro: „Ja, maar los daarvan heb je toch ook een keuze: wel of geen Hells Angels.”

Ficq: „Ja, en natuurlijk speelt ijdelheid ook een rol. Maar het is niet wat ik ambieer. Door de zaak Badr Hari heb ik ongelooflijk veel last gehad van de roddelpers.”

Ficq zegt dat ze relatief weinig in de publiciteit treedt. En áls ze het doet, is dat omdat cliënten op een eenzijdige manier worden belicht in de media. Als onmensen, zegt zij, zoals Badr Hari. „Badr heeft een bijzonder aardige kant. Soms moet je proberen een beetje evenwicht te krijgen in de informatieverstrekking. Het is in het belang van de publieke opinie over de verdachte die ik bijsta.”

Livestro: „Want de rechter wordt daardoor beïnvloed?”

Ficq: „Nee, maar een verdachte heeft wel veel te verliezen in het maatschappelijk leven. En als ik daarin een rol van betekenis kan spelen, doe ik dat graag. Ik ben er niet op uit de pers te voeren, maar soms overkomt het je gewoon.”

Livestro: „Je bent een van de beste strafrechtadvocaten van Nederland. Je hebt tal van grote klanten. Ga je me nu vertellen dat je nooit nadenkt over een mediastrategie?”

Ficq: „Dat heb je mij niet horen zeggen.”

Livestro: „Je zegt dat het je overkomt. Dat je de media nooit gebruikt.”

Ficq: „Ik vecht het liefst in de zittingszaal. Er was mij veel aan gelegen geweest de verdenking jegens Badr Hari geheim te houden.”

Livestro: „Waarom lukte dat dan niet?”

Ficq: „Omdat de website Crimesite is getipt door een tv-journalist. Toen zij eenmaal gemeld hadden dat hij verdachte is, begon het hele circus.”

Als de ober de gerechten geserveerd heeft – Zeeuwse mosselen met rode peper, peperonata en Oost-Indische kers – vraagt Ficq of Livestro ooit heeft overwogen de politiek in te gaan. De publicist knikt en zegt dat hij dat graag had gewild, maar eerder dit jaar „ongeschikt werd bevonden” door zijn eigen partij.

Ficq: „Waarom?”

Livestro: „De VVD heeft een scoutingcommissie. Die moest ik zien te overtuigen en dat is mij niet gelukt.”

Ficq: „Wat was de voornaamste klacht?”

Livestro: „De nieuwe fractie had discipline nodig. Ik had niet bewezen dat ik goed kon functioneren in de fractiediscipline. En ze vreesden ook dat mijn opvattingen onvoldoende zouden aansluiten bij die van de VVD.” Hij was niet de enige, zegt Livestro. Zijn goede vriend Derk Jan Eppink, die in het Europarlement zat voor de Vlaamse, rechts-liberale LDD, werd ook afgewezen.”

Ficq: „Vonden ze je te rechts?”

Livestro: „Dat zou kunnen. Te rechts voor de VVD althans.”

Ficq maakt aanstalten van tafel op te staan. „Ik ga naar bed, ik heb het gehad.” Als Livestro opmerkt dat ze zo weinig van zichzelf heeft laten zien, haalt ze abrupt haar mobiel uit haar tas. „Dit is mijn zoon. Vind je hem niet leuk? En kijk, dit is mijn dochter.”

Livestro knikt goedkeurend. Hij heeft toch iets persoonlijks gezien, zegt hij. „Benedicte is trots op haar kinderen.”

Livestro loopt nog even door de tuin. Ficq staat bij de lift te wachten. „Het is een aardige man. Grappig ook. Hij praat alleen zo zacht”, zegt ze.

De volgende ochtend lopen Livestro en Ficq al om acht uur door de ontbijtzaal. Livestro heeft koffie nodig. En wel meteen. „Anders komt er geen woord over mijn lippen.”

„Jij bent ook geen ochtendmens”, grinnikt Ficq, die slecht geslapen heeft. Livestro knikt. Hij zegt dat hij zich heeft verbaasd over haar „enorme angst” om persoonlijke zaken te delen. „Ben je soms bang dat de geheime dienst meeluistert?”

Ficq haalt haar schouders op. „Jij denkt toch ook na over wat je kwijt wilt en wat niet?”

Livestro: „Ja, maar ik lig daar niet wakker van.”

Ficq: „Jij hebt geen geheimhoudingsplicht. En trouwens: ik lig ook niet wakker van mijn uitspraken. Ik waak er alleen voor dat dingen niet uit hun context worden gerukt.”

Livestro: „Quid pro quo. Als je de uitnodiging voor zo’n gesprek aanneemt, moet je daar ook wat tegenover stellen. Je moet iets extra’s geven aan je gastheer en gastvrouw.”

Ficq knikt, maar lijkt niet overtuigd.

Hebben zij het beeld van elkaar bijgesteld na gisteravond?

Ficq: „Ik wist dat Joshua nogal rechts is. Het benieuwde mij of hij écht zo is of dat hij zich zo profileert om zijn opdrachtgevers te pleasen.”

Livestro: „Dat hoort bij het columnistenbestaan. Maar het is wel zo dat ik minder uitgesproken word naarmate ik ouder word.”

Ficq zegt dat Livestro zacht praat. „Je bent erg moeilijk te verstaan.” Op de vraag wat zij met haar gesprekspartner gemeen heeft, moet de advocate lang nadenken. „We verschillen erg van elkaar. Ik heb een fascinatie voor mensen en jij...”

Livestro: „Ik word geconfronteerd met grote, tamelijk algemene dossiers. Jij kampt met concrete, juridische problemen.”

Ficq: „Ik zou niet weten wat wij gemeen hebben. Daarvoor ken ik je onvoldoende. Misschien de vermoeidheid?” Ze buigt zich voorover. „Maar zeg, praat jij wel eens met de mensen waarover jij al die meningen ventileert? Jongeren, criminelen, immigranten?”

Livestro: „Criminelen niet, anderen wel.”

Ficq: „Zoek je ze op? Ga je langs in bepaalde wijken?”

Livestro: „Ik ben redelijk vaak in Nederland, maar nooit langer dan een paar dagen. Ik leg geen werkbezoeken af, als je dat bedoelt. Ik spreek nu en dan met mensen af, net als iedere andere normale Nederlander.”

Ficq: „Dat vind ik nou de makke van opiniemakers hè. Er worden ideeën ontvouwd, maar de mensen over wie het gaat, komen niet aan het woord. Weet je wel waarover het gaat?”

Livestro: „In een eerdere fase van mijn loopbaan schreef ik voor Reader’s Digest. Ik reisde het hele land door. Sprak met politici, hulpverleners, de politie...”

Ficq lacht. „Dat vind ik onvoldoende om een mening op te baseren. Je zult ergens de praktijk moeten opslurpen. Ik heb dan misschien een beperkt werkterrein met het strafrecht, maar ik sta wel dagelijks in contact met de mensen die onderdeel vormen van de problematiek waarover ik spreek.”

Livestro zwijgt, terwijl Ficq er nog eens goed voor gaat zitten. Ze zegt dat politici bar weinig weten van het strafrecht. „En dat zijn toch degenen die wetten maken.” Advocaten worden volgens haar nauwelijks geconsulteerd bij de voorbereiding van wetten. „Ik vind de politiek heel oppervlakkig. En ik vind het schandalig dat er bijvoorbeeld zo bezuinigd wordt op preventie. Herinner je je die ruzie in de gevangenis van Nieuwegein laatst? Die man die werd doodgestoken? Ik ben ervan overtuigd dat dat niet was gebeurd als ze niet al die bewaarders in de bajes hadden wegbezuinigd. Er is te weinig personeel, er wordt onvoldoende gerecreëerd. Gevangenen zijn allemaal tijdbommetjes.”

Livestro zegt dat hij tegen het beknibbelen op rechtshulp is. „Dat is een basisvoorwaarde voor het functioneren van de rechtsstaat. Maar de vraag is of er alternatieven zijn. Misschien wordt het tijd dat maatschappelijke organisaties een rol gaan spelen bij de resocialisatie van...”

Ficq veert op. „ Particuliere instellingen?”

Livestro: „Nee, kerken bijvoorbeeld...”

Ficq: „Mensen met een psychiatrische stoornis worden op één cel gezet met gezonde mensen. Die dooie in Nieuwegein... het zal niet bij de ene blijven.”

Livestro: „Je voorspelt meer doden?” Hij wendt zich tot de verslaggevers. „Schrijf op: topadvocate voorspelt meer doden door bezuinigingen gevangeniswezen. Daar zou De Telegraaf wel raad mee weten.”

Ficq: „Ik voorspel dat het gierend uit de klauwen loopt. Het is ongelooflijk dom beleid. Teeven weet dat, maar hij kan niet anders. Hij moet uitvoeren wat ze in het regeerakkoord overeengekomen zijn.” Ficq zegt dat ze moe wordt van zichzelf, „Ik moet nog een koffie hebben”, gebaart ze.

Rond half elf besluit het tweetal dat ze zijn uitgepraat. Ze zijn niet nader tot elkaar gekomen, maar het was wel een interessant gesprek. Ficq komt terug op het aanbod mee te rijden naar Amsterdam. „Bij nader inzien neem ik toch de trein”, zegt zij, terwijl ze Livestro de hand schudt. „Dan kan ik nog even rusten op mijn hotelkamer.”

In de auto vertelt Livestro meer over zichzelf dan hij in de zeven uur ervoor heeft gedaan. Hij komt uit een bijstandsgezin, zijn ouders zijn gescheiden. „Mijn vader hield nogal van de fles en andere vrouwen. Laten we zeggen dat hij niet echt gemaakt was voor het huwelijkse leven.” Ze hebben nog steeds contact, zijn vader en hij. „Meestal per telefoon. Ik vind het wel altijd leuk hem te spreken.”

Vlak voordat hij zijn bestemming heeft bereikt, legt Livestro nog één keer uit waarom de VVD er niet best voorstaat. Er wordt „te veel gegeven en te weinig genomen”. Rutte wordt volgens hem „niet gehinderd door principes”.

Livestro: „In het huidige tijdsgewricht is dat trouwens niet alleen een slechte kwaliteit. Als je van dossier tot dossier steeds een meerderheid moet zoeken, heb je zulke flexibiliteit ook nodig om een kabinet overeind te houden.”

De publicist stapt uit. Hij is van plan naar het centrum te lopen, waar hij een afspraak heeft. „Even de stad opsnuiven.” Een half uurtje later stuurt hij een tweet: „Ik ben in Amsterdam, zie overal tekenen van herstel. Niet zo negatief mensen.”

    • Danielle Pinedo
    • Tom Kreling