Baas van Chicago is doodziek en corrupt

Tom met zijn vrouw (Kelsey Grammer en Connie Nielsen
Tom met zijn vrouw (Kelsey Grammer en Connie Nielsen ).

Boss Seizoen 1 10 afleveringen van een uur € 17,- (via Britse webwinkels, niet Nederlands ondertiteld)

Kelsey Grammer is voor altijd verbonden met de rol van Frasier, de psychiater die Grammer maar liefst twintig jaar speelde. Eerst was hij deze wufte, cerebrale psychiater in tweehonderd afleveringen van de legendarische comedy Cheers en daarna ruim 260 keer in de succesvolle spin-off Frasier. Die serie eindigde in 2004, maar Comedy Central zendt nog wekelijks herhalingen uit.

Toch is Grammer vanaf de eerste scène in Boss een heel andere man: grimmig en autoritair. Dat is razend knap, want Frasier was een wereldvreemde, ijdele en zelfingenomen snaak, die optimistisch in het leven stond. Niets van die rol is zichtbaar in Boss, het portret van de meedogenloze burgemeester van Chicago, Tom Kane. In die eerste scène krijgt Kane te horen dat hij lijdt aan een zeldzame ongeneeslijke ziekte, waardoor hij nog kort te leven heeft. Tot de symptomen van de ziekte horen duizelingen, hallucinaties en een onbedwingbare tremor. Kane hoort zijn arts zwijgend aan en zegt alleen afgemeten: „Het trillen kan ik niet hebben”. De bittere trek om de mond van Grammer lijkt er in jaren te zijn ingesleten.

Boss verkent nieuwe dieptes van machtswellust. Kane regeert zijn stad als een maffiabaas, die diensten verleent aan zijn begunstigers en tegenstanders chanteert of laat verdwijnen. Zijn werkwijze maakt Kane tot een eenzame man, die niemand vertrouwt. Zijn ziekte blijft geheim.

De centrale vraag is of de nabije dood een man verandert. Kane probeert wel anders te zijn. Hij zoekt toenadering tot zijn dochter, een ex-verslaafde, nu hulpverleenster. Dat lukt beter dan de toenadering tot zijn vrouw. Hun huwelijk is een maskerade, in stand gehouden ten behoeve van hun gedeelde ambities. Boss schetst een inktzwart beeld van deze foute politicus. En van de journalistiek, vakbonden, ondernemers en andere politici, die niet minder corrupt zijn.

Toch blijft de monsterlijkheid van Kane te lang alleen suggestie. Zijn slechtheid blijft te veel verborgen onder de oppervlakte van zijn personage. Te weinig handelingen laten zien hoe wreed hij werkelijk is. Maar als die oude, duivelse Kane zich dan even weer opricht, is dat wel een schok – geen maatregel of intrige gaat hem te ver.

Kane heeft de dood voor ogen, maar een ander mens worden, telt minder dan aan de macht blijven. Ziekte brengt niet per se berouw en verlossing.

Boss ziet er strak en gelikt uit, met beeld dat een grauwe kleurspoeling heeft gekregen – mede de verantwoordelijkheid van Gus van Sant als regisseur van de pilot en producent. Grammer krijgt de kans te laten zien hoeveel hij in huis heeft (eerdere, nieuwe series met hem flopten). En het is prettig om naast hem Martin Donovan te zien – de acteur die in de jaren negentig sterke hoofdrollen speelde in films van Hal Hartley.

Maar oef en ach: het is wel heel troosteloos en benauwend wat Boss voorschotelt. Bovendien proppen de makers te veel verhaallijnen in de tien afleveringen: een gifschandaal, een gouverneursverkiezing en diverse erotische verwikkelingen.

Het spel met zijn hallucinaties, waarin te zien is wat hij denkt dat er gebeurt, wordt kort gehouden. Kane laat een camera in zijn ambtskamer aanbrengen om zichzelf terug te zien na black-outs. Mooie scènes, maar het zou interessant zijn geweest om hem en de kijker meer met met die verwarring te manipuleren.

Zijn val gaat zo snel dat Kane geheel alleen staat aan het einde. Het verhaal lijkt voorbij, maar er is nog een tweede seizoen.