Geen ramp zo erg als het huwelijk

Ondanks de afstand in tijd en taal vertoont de vaak alledaagse poëzie uit de Spaanse Gouden Eeuw levendigheid, gevoel en realisme.

Je doet je tegoed aan wat gepeperde saucijsjes en je krijgt dorst. En dan? Dan pas merk je dat je niks te drinken bij je hebt. Dat gevoel. Je hebt net met veel moeite de veters van je ene laars dicht gekregen en dan scheuren de vetergaten van je andere laars uit. Het leven hangt van kleine en grote zorgen aan elkaar. Je hebt een schoppen zeskaart in handen en dan komen ze steeds uit in andere kleuren.

Er gaat altijd van alles mis. ‘Een dame dienen die van niets wil weten.’ Ook erg: ‘Bezoek ontvangen dat wil blijven eten.’ Het kost de Spaanse dichter Luís de Góngora (1561-1627) geen enkele moeite om de voorbeelden aan elkaar te rijgen. Wat is de conclusie van zijn opsommingsvers? ‘Ja, heel wat rampen heeft een mens te vrezen,/ maar geen zo erg als in het huwlijk treden.’

En pas dan weten we dat hij al die kleine en grote rampen op elkaar heeft gestapeld om ons te vertellen dat het allemaal nog veel erger kan. Het huwelijk is de allergrootste ramp die een mens kan treffen. De bewering is al enkele honderden jaren geleden gedaan, maar nog steeds herkenbaar. Het procedé ook. We zien hier een zuiver geval van climax, bekend uit onder meer het cabaret en andere vormen van moppentapperij.

Nog een voorbeeld, nu van een dichter die zijn grote concurrent en aartsvijand was, Francisco de Quevedo (1580-1645). Het procedé is nu de ironie. Het gedicht heet ‘Grafschrift’. Aanvankelijk denken we dat we in een droevige dodenherdenking zijn beland. We staan naast de tombe van een echtpaar. De toon is gedragen. ‘Hier rust, bezijden Lidius, zijn vrouw/ Helvidia. Zij ging als eerste heen.’ Ach, hoe smartelijk.

Maar dan blijkt uit het vervolg dat Lidius en zijn Helvidia bij leven niet altijd zo dicht bij elkaar lagen: ‘dat hij haar postuum voor zich alleen/ zou krijgen, was een lichtpunt in zijn rouw.’ Dan weten we genoeg: Helvidia was minder trouw dan haar marmeren grafbeeld lijkt te suggereren. Aan hun voeteneinde is hun hondje vereeuwigd. Het beestje had overigens vooral tot taak om dieven buiten de deur te houden, maar dat hoeft nu niemand meer te weten. In marmer heet de waakhond nu Fideel, symbool van trouw.

Beide gedichten zijn te vinden in een bloemlezing uit de Spaanse poëzie uit de zeventiende eeuw (de Gouden Eeuw). Het eerste wat mij, leek, eraan opviel was de levendigheid ervan, ondanks de afstand in tijd en taal. Dijenkletser, dubbele bodem, een half woord voor de goede verstaander – er zit veel gevoel onder deze gedichten, en dat gevoel is van alle tijden.

De ellende van kiespijn, en de bijbehorende machteloze woede – die zich dan maar richt op de tandarts (‘de kiezentrekker’), die er nog goed geld mee verdient ook. De ergernis om vliegjes in de wijn. Soms zie je beestjes, als je veel gedronken hebt, maar soms zie je ze ook al van te voren, in het echt, in je net ingeschonken glas wijn, meegekomen uit het vat. Vliegjes, gratis meedrinkend van jouw wijn! Het chagrijn om deze ‘druifparasieten’ en ‘muskaatmuskieten’ zoekt een uitweg in de zoete wraak die de dichter, opnieuw Francisco de Quevedo, hier verzint. Hij heft het glas en brengt een toost uit op het welzijn van de vliegjes – en slaat ze dan in één teug achterover. ‘Ik laat jullie (...) voor ’t drinken van mijn drank in mij verdrinken.’

Veel van deze gedichten geven je het gevoel dat je erbij bent, of (wat hetzelfde is) dat het ook nu had kunnen gebeuren. Er is een beroemd nonsensgedicht van Gerrit Komrij over het mechanische schrijven van een twaalfregelig gedicht. ‘De eerste regel is om te beginnen/ De tweede is de elfde van beneden.’ Enzovoort. Hier zien we een van de vele voorlopers in dit genre, Lope de Vega (1562-1636): ‘Mijn lief verlangt van mij een heus sonnet,/ wat veertien regels schijnt te moeten zijn,/ dus heb ik lukraak, zomaar voor de gein/ alvast de eerste vier hier neergezet.’ Enzovoort.

Er zijn stadsgedichten en spotsonnetten. Er wordt gesneerd over de mode. Er is een droog intellectueel gedicht over een bepaalde eenogige lichaamsopening (aan de achterkant) die bij nadere beschouwing veel overeenkomsten blijkt te vertonen met het gezicht van een gehate collega-dichter.

Misschien moet je hier wel van gelegenheidspoëzie spreken. De aanleidingen liggen in het leven van alledag, in concrete voorwerpen, maar de verwerking ervan strekt zich veel verder uit. Lope de Vega ziet de schedel van een vrouw en bekijkt hem aandachtig, en staat lang stil bij de gedachte aan alles wat nu verdwenen is: haar, ogen, mond, liefde, geest. Alleen de kale schedel is nog over. Zelfs de maden hebben er niets meer te zoeken. Het is een nogal aanschouwelijke manier om het over het raadsel van de dood te hebben.

Op dezelfde ‘realistische’ wijze gaat het in deze bloemlezing over God, geloofstwijfel, de angst voor het onbekende einde. ‘Zeker is niets dan de onzekerheid’ heet het in de laatste strofe van het laatste gedicht, van Gabriel Bocángel (1603-1658). De wind waait alle kanten op, willekeur regeert deze wereld, ‘república de viento’, ‘deze vrijstaat van de wind.’

In zijn inleiding bij Polyphemus en Galatea gaat vertaler Erik Coenen uitgebreid in op wat voor iedere hispanist gesneden koek moet zijn: de richtingenstrijd tussen Quevedo en Góngora, conceptismo en culteranismo. En op het beroemde hoogtepunt van dat culteranismo: het verhalende, 63 strofen tellende gedicht ‘Polyphemus en Galatea’.

Het staat stijf van de ingewikkelde metaforen en stijlfiguren en duistere allusies. Het is geschreven in een heel eigen, verlatijnste, bijna kunstmatige versie van het Spaans. En het handelt over het mythologische gegeven van het nimfje Galatea, haar geheime liefde voor de herdersjongen Acis, en de woede van de jaloerse cycloop Polyphemus bij het ontdekken ervan.

Je zou (ik praat nu Coenen na) het gedicht kunnen zien als het eerste exempel van extreem vormbewustzijn, kunst als maakwerk, l’art pour l’art. Coenen legt heel goed uit dat dit gedicht eigenlijk niet te vertalen is, maar hij heeft het toch als eerste in het Nederlands geprobeerd – en hij is daar, voorzover ik dat kan beoordelen, heel goed in geslaagd.

Toch kan ik over ‘het meest volmaakte verhalende gedicht uit de Spaanse literatuur’ verder niet zo enthousiast zijn als de vertaler zelf. Daarvoor is het me toch te kunstmatig en te barok allemaal, en te ingewikkeld ook. Te veel cultuurpoëzie, en te weinig gelegenheidspoëzie. Aan Luís de Góngora ligt het niet. Hij is, behalve de dichter van dit virtuoze hyperintellectuele eposje, ook de maker van het gedicht waarmee ik dit stuk begon, over de lekkere saucijsjes en de pech dat je dan niks te drinken hebt – en al die andere rampen die een mens te vrezen heeft.