Beweringen over linkshandigen

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

De aanleiding

Gisteren was het linkshandigendag. Over linkshandigheid doen veel wilde verhalen de ronde, die gisteren weer even extra de aandacht trokken. Linkshandigen zouden eerder dood gaan en een grotere kans op ziektes hebben. Maar ze zouden zich ook gelukkig kunnen prijzen vanwege hun grotere creativiteit. Vooral de linkshandigen op onze redactie horen deze verhalen al jaren en willen nu wel eens weten wat er van waar is. Daarom checken we twee beweringen over linkshandigheid.

Linkshandigen gaan eerder dood

Wie naar bevolkingsstatistieken kijkt, kan beargumenteren dat linkshandigen eerder dood gaan. Onder tienjarigen is 15 procent linkshandig, van de vijftigjarigen is zo’n 5 procent linkshandig en op 80-jarige leeftijd is nog maar 1 procent linkshandig, schreven de onderzoekers Porac en Coren in 1981. Het was eveneens Stanly Coren die in 1991 met Diane Halpern in het New England Journal of Medicine schreef dat linkshandigen maar liefst negen jaar eerder doodgaan dan rechtshandigen. Oorzaken die ze noemen: linkshandigen raken vaker gewond en hebben meer verkeersongelukken. Ook noemen zij medische redenen, neurologische afwijkingen veroorzaakt door een gecompliceerde geboorte bijvoorbeeld. Maar zowel de onderzoeksmethode als de conclusies zijn veelvuldig bekritiseerd.

Zo is de observatie dat het percentage linkshandigen zo drastisch afneemt naarmate de leeftijd oploopt vertekend. Diverse onderzoekers beredeneerden dat onderwijzers en ouders enkele decennia geleden linkshandigheid sterk afkeurden. Kinderen die met links schreven werden – letterlijk – op de vingers getikt en gingen geforceerd met rechts schrijven. In 1993 onderbouwden onderzoekers Paul Satz en Kenneth Hugdahl deze redenering met onderzoek. Naarmate mensen ouder zijn, neemt het percentage mensen dat zegt als kind „van voorkeurshand gewisseld te zijn” toe. De afname van het aantal linkshandigen op leeftijd is hiermee niet helemaal verklaard, maar wel is zeker dat de afname veel minder drastisch is.

Bovendien zit het onderzoek van Coren en Halpern niet goed in elkaar, schreef onder meer wetenschapsjournalist Rik Smits in zijn boek Het raadsel van linkshandigheid (2010). De onderzoekers ondervroegen een kleine duizend nabestaanden van mensen die al ten minste negen maanden overleden waren naar de voorkeurshand van de overledene bij het schrijven en het werpen van een bal. Zelfrapportage is bij dit type onderzoek al niet erg betrouwbaar, laat staan de rapportage door nabestaanden. Smits redeneert dat ook de analyse van de feiten niet deugt. Halpern en Coren hebben bij de linkshandige verkeersdoden niet in hun analyse meegenomen of de linkshandige wel aan het stuur zat en of hij überhaupt de veroorzaker van het ongeluk was. De bewering is verder gebaseerd op de schrikreflex, waardoor het stuur naar de kant van de tegenligger zou worden getrokken. Maar die reflex bestaat er alleen uit dat de andere hand voor de borst en voor het gezicht wordt gehouden. Dit zegt niets over trekken aan het stuur. Zo bezien zou het aantal verkeersdoden in linksrijdende landen veel hoger moeten liggen, en dat is niet het geval.

Wel blijkt uit sommige studies dat bepaalde aandoeningen onder linkshandigen wat vaker voorkomen. Sommige onderzoekers redeneren daarom dat linkshandigheid een bijverschijnsel kan zijn van een voor de geboorte, als baby of tijdens de ontwikkeling als kind opgelopen hersenbeschadiging die ook zo’n ziekte veroorzaakt. In 2006 concludeerde Made Ramadhani van het UMC Utrecht dat linkshandige vrouwen twee keer meer kans hebben nog voor de menopauze borstkanker te krijgen, ook is de kans op darmkanker bij linkshandigen groter. Maar daar hoeven de linkshandigen zich niet direct zorgen om te maken. Ramadhani zei er direct bij dat een probleem bij zulke studies is dat het om kleine aantallen overledenen gaat. Er zijn ook studies die juist voordeel zagen voor linkshandigen of geen verschil vonden.

Al met al beoordelen wij de bewering dat linkshandigen eerder doodgaan als ongefundeerd.

Linkshandigen zijn creatiever

Een veelgehoorde bewering, waarvoor geen deugdelijke wetenschappelijke basis lijkt te bestaan. Er zijn wel studies die duiden op grotere creativiteit bij linkshandigen, maar wetenschappers die dieper in de opzet daarvan doken, concluderen dat die vaak niet deugen. Daarnaast zijn er natuurlijk de veelgenoemde linkshandige kunstenaars en musici als Michelangelo en Beethoven. Maar er zijn minstens zoveel rechtshandige creatieve toppers te bedenken. Bovendien bestaat er bij de linkshandige meesters uit het verleden vaak discussie over de vraag of ze wel echt linkshandig waren.

Volgens Smits begint het probleem wat de studies betreft al bij het bepalen van een goede definitie van creativiteit. Heel lastig, stelt hij, wat deugdelijk onderzoek naar het verband tussen linkshandigheid en creativiteit bemoeilijkt. „Er zijn weleens onderzoeken gedaan waaruit bleek dat in een orkest opvallend veel linkshandigen zaten. Dat soort correlaties kan je weleens vinden, maar het zegt helemaal niets. Het kan ook toeval zijn”, zegt Smits.

De studies blijken volgens hem vaak te zijn uitgevoerd door afstuderende studenten, niet door gelouterde wetenschappers. „Met deugdelijk onderzoek naar dit onderwerp is geen geld te verdienen, dus dat is er ook weinig.”

Ook de Britse hoogleraar Psychologie Chris McManus concludeerde in zijn veelgeprezen boek Right hand, left hand dat linkshandigen gemiddeld genomen niet creatiever zijn dan rechtshandigen.

Wij beoordelen de bewering dat linkshandigen creatiever zijn als ongefundeerd.