Zomervlees van potloodventer

Illustratie Ingrid van Halteren

Als een haas steekt hij het bospad over: een naakte man. Het is kwart over zes ’s ochtends, maar nu al kun je voelen dat dit weer een warme dag gaat worden.

Ons bos wordt wel het Burberry-bos genoemd. Je ziet hier veel kledingstukken van dat merk, net als rashonden en soms de Schotse hooglanders die hier ooit naartoe zijn gebracht.

Ik vervolg het pad, dat uitkomt op een kruispunt. De naakte man is nergens te bekennen. Hij kan zich, op dit punt in het bos, maar op één plek schuilhouden: bovenop een heuvel. Op de aarden traptreden naar boven zie ik verse voetstappen staan, maar ik besluit hem niet te volgen. Al snel begin ik te twijfelen. Wat heb ik nou eigenlijk gezien? Een potloodventer? Nee, anders had hij z’n geslachtsdelen wel getoond. Een vroege naaktzwemmer? Die laat z’n kleren toch meestal op de oever liggen? Bovendien is het meertje verderop. Lag hij te vozen in de bosjes? Dan toch in z’n eentje, want ik heb niemand anders gezien. Een misdrijf lijkt me onwaarschijnlijk.

’s Middags besluit ik om toch even langs het politiebureau te gaan. Achter de balie zitten twee jonge vrouwen en een man van middelbare leeftijd. „Heeft u zijn gezicht gezien?”, vraagt een van de vrouwen. „Nee, voornamelijk zijn blote kont”, antwoord ik. Ze wil weten hoe hij eruitzag. „Hij was blank, en hoewel ik hem maar heel even heb gezien schat ik hem tussen de 25 en 40. Hij liep op blote voeten.”

„Ik denk niet dat het een potloodventer is”, vervolg ik, „want hij heeft zijn eh…” Ik overweeg om te zeggen „hij heeft zijn potlood niet laten zien”, maar bij nader inzien lijkt dat me te frivool. Na een kleine aarzeling houd ik het op „geslachtsdelen”.

Desondanks voel ik me steeds meer de Vieze Man van Kees van Kooten, iemand die er kennelijk plezier in heeft om hier z’n verhaal te doen. De vrouwen glimlachen, maar de man kijkt me strak aan. Tot mijn opluchting zegt een van de agentes: „Ik heb hem zelf waarschijnlijk ook een keer gezien. Om een uur of acht ’s ochtends, een blote jogger met een kale kop.”

Ik wandel dagelijks in het Burberry-bos, altijd vroeg. Meestal kijk ik naar de bomen en de planten en het liefst naar de ochtendnevel boven de velden, maar ik merk dat ik nu steeds speur naar bloot, wit zomervlees tussen de bosschages.

Overigens heb ik potloodventer altijd een fascinerend woord gevonden. Toen ik het, als kind, voor het eerst hoorde, moest ik erom lachen. Wij kleurden en tekenden met potloden, dat dit woord ook een ándere betekenis kon hebben was niet in me opgekomen.

Curieus is dat de Grote Van Dale potloodventer alleen kent in de betekenis ‘exhibitionist’, maar het heeft natuurlijk ook een oorspronkelijke betekenis, namelijk ‘man die op straat potloden verkoopt’. Vanaf 1888 vinden we het in die betekenis in zinnen als „Hij zag eruit als een rondzwervende potloodventer.”

In feite waren potloodventers trouwens vaak bedelaars. Na ontvangst van een aalmoes boden zij een potlood aan, dat zelden werd aangenomen. Die potloden droegen de bedelaars bij zich om arrestatie te voorkomen. Lang mocht je in Nederland iets op straat verkopen zonder een vergunning, maar iemand die alleen bedelde werd vanaf het eind van de 19de eeuw opgepakt en naar een strafkolonie of verbeteringsgesticht gebracht.

Taalhistoricus Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.