Opinie

Spionnen onder elkaar

Els van Diggele woonde een jaar in Palestina, ter voorbereiding van een boekenreeks over Joden, christenen en moslims. Ze ontmoette ook spionnen.

Een Palestijnse kennis A., een dertiger, werkt als computer-ingenieur voor twee Palestijnse veiligheidsdiensten. Hij zegt trouwens vaak dat ik daar ook moet solliciteren vanwege mijn ondervragingstechnieken. „Jij krijgt ons Palestijnen aan het praten!”

Maar nu gaat het erom dat hij voor de UNESCO naar Oman moest.

De eerste avond belde hij me vanuit Moskat op: „Het is hier vreselijk! Saai! Niets te doen en Skype is verboden, hoe vind je dat?! Ik hou het hier geen week uit.”

Natuurlijk vindt hij het saai. Mensen zoals hij – spionnen, zal ik maar zeggen – vinden snel iets saai. Ze vervelen zich altijd, behalve op hun werk. Daarom werken ze ook altijd (vooral ’s avonds) en hebben ze altijd bonje met de vrienden die ze niet hebben. En een behoorlijk huwelijk is eigenlijk ook heel moeilijk.

„Mensen die dit werk doen zijn niet sympathiek en ongeschikt voor normale dingen. Geen vrouw wil mannen zoals wij,” zegt A. vaak. „We zijn niet te genieten.”

Een paar dagen later is hij weer in Ramallah. Hij belt me op vanuit Jericho, waar hij net de Koning Husseinbrug vanuit Amman is overgestoken. „Ik ben terug, blij als een kind.”

Maar wat speelde zich af in Moskat? Was het daar wel zo saai?

De Palestijnse en de Omanse veiligheidsdiensten onderhouden goede betrekkingen. Het hoofd van de Palestijnse Preventieve Veiligheidsdienst had zijn Omanse collega verteld dat A. in aantocht was. „Let op, hij is tot veel in staat. Ontvang hem goed.”

„Ik had helemaal geen zin in deze Omani,” zegt A., die niet graag sociale contacten aangaat. „Ik verwachtte een dikke, onaantrekkelijke slome Omani, maar er kwam een slanke, jongeman op me af. Goed opgeleid in Engeland en bijzonder vlot.

Na een korte kennismaking als spionnen onder elkaar, zei de Omani: „Ik daag je uit. Het is hier bijna onmogelijk om prostituees te vinden. Kun jij er voor ons in een uur een paar opsporen?”

Na overleg met Ramallah gaat A. aan de slag. „We moeten dit opvatten als een bevel,” meent hij. „En wij Palestijnen staan bekend om onze goede veiligheidsdiensten en dat moeten we zo houden. Je moet in zo’n geval bij taxichauffeurs zijn, en in Oman bij een buitenlandse,” vertelt A. Hij hield er een aan terwijl zijn Omaanse collega’s toekeken. Snel vond hij een buitenlandse chauffeur, een Bangladeshi.

„Ik vertelde hem dat ik Amerikaan was en dat ik met een groep uit Saoedie Arabië in Moskat was en dat ik een paar prostituees nodig had.” „Geef me een half uur,” zei de chauffeur. A. installeerde zich in de hal van het Hyatt hotel in Moskat. De Omaanse collega’s zaten verderop, in afwachting van de prostituees. „Na een half uur kwamen er twee tengere onaantrekkelijke Thaise vrouwen binnen, voor de chauffeur uit. Ik liep met de prostituees naar de Omani’s en zei: Your challenge. De prostituees werden direct gearresteerd.”

De Omani wilde de avond voortzetten met A., die er ook wel voor voelde. Hij wilde de stad in. Maar omdat daar nooit iets te doen is, stelde de Omani voor om even naar Dubai te gaan, met het vliegtuig van de Veiligheidsdienst.

Dat deed A. niet.

Waarom niet? vraag ik.

„Teveel gedoe.”

Els van Diggele schreef ondermeer het boek Heilige Ruzies (2007)

Frits Abrahams is met vakantie. Hij hervat zijn column op 19 augustus.