Partijpolitieke president

Tsjechië verkeert in een serieuze politieke crisis. De lotgevallen van de conservatieve premier Peter Necas en de nasleep van zijn val hebben dat deze zomer aan het licht gebracht.

Necas sneuvelde wegens corruptie en machtsmisbruik. Zijn rechterhand en minnares had drie parlementariërs omgekocht om zijn wankele coalitie in het parlement overeind te houden. Zij bleek ook de militaire inlichtingendienst te laten jagen op concurrenten.

In de kabinetscrisis die uitbrak, greep de nieuwe president Milos Zeman zijn kans. Hij benoemde zijn geestverwant Jiri Rusnok tot premier van een zakenkabinet. Omdat de links-populistische Zeman in januari voor het eerst in de Tsjechische geschiedenis rechtstreeks door de kiezers was gekozen, kon het parlement hem weinig maken. Zijn democratische mandaat was immers een stuk verser dan dat van het in 2010 gekozen parlement.

De coup van Zeman slaagde niet volledig. Rusnok vond vorige week geen steun in het parlement en treedt morgen af. Hij blijft wel ad interim aan tot na de vervroegde verkiezingen.

Maar de president heeft wel degelijk een slag geslagen. Hij heeft TOP 09 uit het centrum-rechtse pact weten los te weken. De Democratisch Burgerpartij verkeert in diepe crisis. De al minuscule Liberaal Democraten staan op het punt te verdwijnen. Omgekeerd zijn de vooruitzichten voor de (nieuwe) Partij voor Burgerrechten/Zemanlui van de president rooskleurig.

De coup van Zeman heeft zo een partijpolitieke component. En dat is nu precies wat het staatshoofd in Tsjechië niet zou moeten willen. Het bewijst dat het geen goed idee was de president voortaan rechtstreeks te kiezen.

De kans is groot dat het Tsjechische parlement een linkse meerderheid krijgt, waarin de Zeman-lieden hun entree zullen maken.

Het is zelfs niet uitgesloten dat de communisten een sleutelpositie veroveren. Dat zou voor het eerst sinds 1989 zijn. En ook een jammerlijke paradox. Toen de communisten in 1989 het bos ingingen, probeerde Tsjechië het staatsbestel zo in te richten dat de macht nooit meer door één partij kon worden gemonopoliseerd. Daarom kreeg president een substantiële rol naast de premier. Twee uitvoerende machtscentra, gekozen door het parlement: dat leek een garantie tegen misbruik.

Maar nu een van die uitvoerende machten een direct volksmandaat in stelling kan brengen, is daarvan geen sprake meer.

De crisis in Tsjechië rechtvaardigt daarom zeker één conclusie. Hoe de verkiezingen ook uitpakken, links en rechts moeten werken aan renovatie van het staatskundig bestel. Een levende democratie kan alleen gedijen als de verhoudingen formeel vastliggen.