Je wordt pas als je ze echt ziet geraakt

De dierentuinen van Costa Rica gaan dicht Maar in Nederland krijgen dieren steeds meer ruimte En terugzetten in de natuur kan ook zomaar niet

Hoewel Nederland met gevechtstroepen uitrukt, is Mali géén vechtmissie, benadrukten de ministers.
Hoewel Nederland met gevechtstroepen uitrukt, is Mali géén vechtmissie, benadrukten de ministers. Foto AFP

verslaggevers

Als een dier dwangmatig heen en weer loopt, weet je dat het mis is. IJsberende ijsberen, olifanten die hun poten afwisselend optillen en weer neerzetten, giraffen die hun mond en tong raar bewegen. Pure stress. Of in jargon: stereotiep gedrag.

Die ijsbeer wil lopen. Ver lopen.

De giraffe mist de centimeterlange doorns op zijn acacia’s, waar hij met zijn tong langs moet manoeuvreren als hij de bladeren wil eten.

Hoe groter de afstanden die een dier in het wild aflegt, hoe slechter hij het doet in een dierentuin. En hoe meer het voedsel in de dierentuin lijkt op wat het dier in het wild eet – en dat geldt ook voor de manier waarop hij het verkrijgt – hoe beter.

Afgelopen week werd bekend dat Costa Rica zijn twee nationale dierentuinen volgend jaar gaat sluiten. De dieren – 60 diersoorten, in totaal 400 dieren – worden vrijgelaten of, als dat niet mogelijk is, ondergebracht in opvangcentra.

Het is een nieuwe stap in het beleid van Costa Rica om zijn natuur en dieren te beschermen: in 2002 werd een verbod afgevaardigd op het optreden van circusdieren en ook de jacht als vrijetijdsbesteding is er niet meer toegestaan.

Moeten wij een voorbeeld nemen aan de Costa Ricaanse beslissing, en de Nederlandse dierentuinen sluiten?

Niet meteen. Er is om te beginnen een verschil tussen de Costa Ricaanse Simón Bolívar-dierentuin, die vies zou zijn en de dieren weinig bewegingsruimte biedt, en de Nederlandse dierentuinen. Want die zijn, net als elders in Europa, aan het veranderen. De normen die we eraan stellen, zegt de Wageningse etholoog Paul Koene, liggen steeds hoger.

De trend is: meer ruimte, minder soorten. Niet meer een enorme hoeveelheid dieren opgestapeld op een paar vierkante meter, maar een kudde van één soort op een groter terrein. En: een dierentuin is er niet meer alleen om aapjes kijken voor de lol. Educatie en conservatie zijn ook belangrijk. Daarmee wordt de functie van een dierentuin scherper gesteld dan die ooit was. En heeft de dierentuin, zeker in geïndustrialiseerde landen waar de rijkdom aan diersoorten heel ver achterblijft bij de Costa Ricaanse biodiversiteit, misschien nog wel bestaansrecht.

De belevenis van het ruiken, voelen, zien

Haig Balian, directeur van Artis in Amsterdam, de oudste dierentuin van Nederland, volgt een uitstervingsbeleid voor dieren die de dierentuin niet goed kan houden. Het nijlpaard stierf en is niet vervangen. Als de amoerpanter doodgaat, komt er geen nieuwe. De ijsberen zijn weg.

Lopend door het monumentale Apenhuis vertelt hij dat het daar ooit vol stond met kleine hokken met grote apen. „Dat willen we niet meer. In deze ruimte zit een beperkt aantal kleine aapjes, die alle ruimte hebben en waar het publiek heel dichtbij kan komen.”

Balian wijst naar een meisje van een jaar of vier, dat verwonderd naar een vlinder die net uit z’n pop kruipt staat te kijken. „Daar gaat het om”, zegt Balian. „Die verwondering. De belevenis van het ruiken, voelen, zien van wilde dieren. Dat contact met de natuur mag niet verdwijnen. Het overtuigt zo’n meisje ervan dat de natuur belangrijk is. En dat kan ook met kleinere dieren.”

Dieren zien in de programma’s van Animal Planet of Discovery Channel is daarvoor niet genoeg. Het is volgens Dylan de Gruijl van het Wereld Natuur Fonds juist voor de dieren belangrijk om ze zichtbaar te houden. De Gruijl: „Je wordt pas echt geraakt als je dieren in levenden lijve ziet. Dat maakt mensen bewust van de schoonheid van de natuur, en zet ze ertoe aan om natuurbescherming te steunen. Ook wij zien de dieren het liefst in hun natuurlijke omgeving, maar niet iedereen kan naar Afrika of Azië om ze in het wild te zien.”

Voor het radicaal sluiten van dierentuinen, zegt Hans Hopster, onderzoeker op het gebied van dierenwelzijn, zijn geen argumenten. „Mensen vinden het plezierig om een dierentuin te bezoeken, en voor met name de kleinere diersoorten heeft het leven in een dierentuin geen nadelen.” Maar: „Je moet de dieren wel de condities kunnen bieden die ze nodig hebben. Als de ijsberen gaan ijsberen, moeten we ons afvragen of we ze de beperkingen die dat gedrag veroorzaken willen opleggen.” Dan moet je, vindt Hopster, op zoek naar alternatieven voor de behoefte aan recreatie en educatie. Dan toch maar liever naar een documentaire over ijsberen kijken.

Uitzetten kan niet zomaar

Dierentuinen zijn niet alleen bezig met het opsluiten van dieren. Zo is er het gouden leeuwaapje, waarvan er in totaal nog geen honderd over waren. Door inspanningen van dierentuinen heeft het bedreigde dier het toch gered. Na een campagne werd in Brazilië bos behouden waar de dieren kunnen leven, en in dierentuinen, waaronder Dierenpark Emmen, was een reservepopulatie van gefokte aapjes. Die aapjes, vertelt Wijbren Landman, bioloog bij Dierenpark Emmen, zijn in Brazilië ter plekke getraind om weer in het wild te leven en vervolgens uitgezet.

Maar daarvoor is dus wel een speciaal programma nodig; je kunt niet zomaar de hekken van een dierentuin openzetten. Met dieren vanuit gevangenschap terugzetten in het wild, zoals nu in Costa Rica gebeurt, moet je „vreselijk voorzichtig zijn”, zegt etholoog Paul Koene. „Er is een risico dat de dierentuindieren ziektes van mensen meenemen, of minder weerstand hebben. En je moet rekening houden met stabiele populaties die al in het land aanwezig zijn.”

Je moet, zegt Koene, kijken waaróm het bedreigde dier in het wild in het gedrang komt. „Komt het door de menselijke invloed, dan kan het zin hebben de dieren in dierentuinen te ‘conserveren’, in de hoop dat we een groenere toekomst tegemoet gaan waarin we ze weer veilig kunnen terugzetten.”

Maar als de natuurlijke habitat van een bedreigd of in het wild uitgestorven dier definitief verdwenen is – de poolkappen gesmolten, de bamboebossen gekapt – of als een dier uitsterft omdat het zichzelf als soort niet in stand kan houden dan vraagt Koene zich af of het zin heeft ze in dierentuinen te houden.

Esther Ouwehand, Tweede Kamerlid voor de Partij voor de Dieren, beaamt dat. „Als de reuzenpanda alleen nog in dierentuinen voorkomt, dan is dat een slap aftreksel van de diersoort. Dat vind ik moreel problematisch. En voor het dier zelf betekent het eeuwige gevangenschap.” Laat maar uitsterven, dan? „Misschien is dat een goede les. We moeten dan maar accepteren dat het dier het, door menselijk toedoen, gewoonweg niet heeft gered.”

Meer ruimte

De ideale dierentuin, dat is een grote, parkachtige omgeving waar dieren met meer soortgenoten kunnen samenleven. Groepsgedrag kunnen vertonen zoals in de natuur.

En in de ideale dierentuin worden dieren gehouden waarvan het leefgebied en het voortbestaan in de natuur onder druk staan, maar mogelijk nog wel hersteld kunnen worden. Steven L. Monfort, directeur van het Smithsonian Conservation Biology Institute, onderdeel van de National Zoo in Washington zei daarover vorig jaar tegen The New York Times: „Dieren die populair zijn bij het publiek, maar het in het wild prima doen, zoals de Afrikaanse olifant en de Californische zeeleeuw, moeten vervangen worden door dieren die gered moeten worden.”

Er zijn nu vijftien dierentuinen aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen. Die zijn, volgens Ouwehand, lang niet allemaal meer nodig. „We zouden best genoeg hebben aan één of twee dierentuinen. Op plekken met veel ruimte én uitbreidingsmogelijkheden.”

Dat is misschien wat radicaal, maar niet alle dierentuinen moeten alle dieren willen aanbieden. Het zou goed zijn, zegt onderzoeker Hans Hopster, als dierentuinen met weinig ruimte zich beperken tot de diersoorten die niet heel veel ruimte nodig hebben. „De capibara en de woestijnrat, bijvoorbeeld, hebben veel minder ruimte nodig. Die kun je een prima omgeving bieden die met het leven in het wild vergelijkbaar is.”