Indonesië gaat ngo’s stevig inperken

Een omstreden wet biedt de Indonesische regering de kans het Islamitische Verdedigingsfront aan te pakken. Maar en passant kan zij nu ook ngo’s de mond snoeren.

Leden van het Islamitische Verdedigingsfront trainen hun gevechtstechnieken in Solo, Centraal-Java.
Leden van het Islamitische Verdedigingsfront trainen hun gevechtstechnieken in Solo, Centraal-Java. Foto Reuters

De zwangere Tri Munarti zat op 18 juli bij haar man achter op de motor, zoals dagelijks miljoenen Indonesische vrouwen. Ze reden over de wegen van Kendal, een stadje in Midden-Java, toen ze geramd werden door een auto. Munarti viel, werd zestig meter mee gesleurd en overleed. In de auto die haar aanreed, zaten leden van Front Pembela Islam (FPI), ofwel het Islamitische Verdedigingsfront, een streng islamitische beweging die het als taak beschouwt om Indonesië te reinigen „van het kwaad”.

De delegatie was in Kendal om een massagesalon schoon te vegen, die volgens de FPI dienst deed als bordeel. Meestal betekent dat: de boel kort en klein slaan. Maar de bewoners van Kendal pikten het niet en gingen met de knokploeg op de vuist. De mannen haastten zich om weg te komen in hun Toyota, en reden Munarti aan, met dodelijke afloop. Drie anderen raakten gewond.

De dood van Munarti heeft de afgelopen maand de discussie doen oplaaien over een nieuwe en omstreden wet. De wet op organisasi massa, waar maatschappelijke organisaties of ngo’s mee wordt bedoeld, biedt volgens een groepje leden van het parlement een mogelijkheid om de FPI aan banden te leggen. Zo zou er een einde gemaakt kunnen worden aan de knokploegen wier tucht heerst van kleine dorpen in West-Java tot de mondaine wijken van Jakarta. Maar mensenrechtenbewegingen zien in de nieuwe wet een terugkeer naar de knoet van dictator Soeharto.

De wet is volgens minister van Binnenlandse Zaken en initiatiefnemer Gamawan Fauzi nodig om het gefragmenteerde toezicht op de 108 buitenlandse en 139.000 binnenlandse maatschappelijke organisaties te stroomlijnen. Feitelijk betekent het dat minister Fauzi een machtig man is geworden. Organisaties moeten voortaan bij hem een vergunning aanvragen. Hij kan organisaties straffen en ontbinden als ze leninisme, marxisme of atheïsme propageren. Ook blasfemie is verboden, net als activiteiten „die de eenheid van de Republiek Indonesië en de beginselen van de staat” ondermijnen.

De wet werd op 2 juli, onder stevige internationale kritiek, door het Indonesische parlement aangenomen. Critici herkennen in de wet het tijdperk Soeharto: zonder uitgebreide motivering of tussenkomst van de rechter kunnen maatschappelijke organisaties gewaarschuwd, een half jaar stilgelegd of ontbonden worden. Heiner Bielefeldt, VN-rapporteur inzake religieuze vrijheid, vindt dat Indonesië met de nieuwe wet internationale mensenrechtenverdragen schendt. „Vrijheid van religie beschermt ook atheïsten”, schrijft Bielefeldt in een commentaar. De nieuwe wet verplicht ngo's de staatsfilosofie van geloof in één enkele God aan te hangen, wat haaks op atheïsme staat.

Bielefeldts collega Maina Kiai, die zich bezighoudt met het recht op vereniging, wijst er op dat de staat nu ook ngo’s kan verbieden die corruptie aan de kaak willen stellen, zoals Indonesian Corruption Watch of Greenpeace. Maar de wet zou volgens anderen ook gebruikt kunnen worden om de FPI aan te pakken. De organisatie eigent zich met regelmaat ordehandhaving toe. Akil Mochtar, voorzitter van het Constitutioneel Hof, leek hier op te zinspelen. Hij zei dat de regering verplicht is op te treden als de FPI de openbare orde verstoort. „De staat moet de belangen van haar inwoners beschermen”, aldus Mochtar.

Het bestuur van de FPI beseft dat de organisatie momenteel onder een vergrootglas ligt. Een verzoek van deze krant om te praten over de nieuwe wet houdt het bestuur af. Te druk, niet tijdens de vastenmaand, niemand beschikbaar, klinkt het. Uiteindelijk is plaatsvervangend secretaris-generaal Ja’far Shodiq bereid schriftelijk vragen te beantwoorden. „Wij zijn een religieuze organisatie en daarom is de nieuwe wet geen bedreiging voor ons. Ook hoeven wij niet ontbonden te worden. Als de sharia is geïmplementeerd, zullen wij vanzelf verdwijnen”, schrijft hij. „Er zijn in Indonesië regels die het gebruik van alcohol en prostitutie verbieden. Het enige wat wij doen, is de wet handhaven als de politie dat nalaat. Op heterdaad mag je toch ook een inbreker vangen?”

Dat de FPI niet siddert en beeft uit angst ontbonden te worden is logisch, zegt Andreas Harsono. De Indonesiër werkt voor Human Rights Watch en volgt de FPI al jaren. „De oude wet stamt uit 1985 en is in de kern net zo repressief als de nieuwe wet. De nieuwe wet maakt het weliswaar makkelijker om organisaties aan te pakken, maar de wettelijke middelen bestonden al.” Harsono wijst erop dat de banden tussen de FPI en Indonesische machthebbers nauw zijn. „De FPI kwam tot stand in 1998 net na de val van Soeharto. De toenmalige politiechef van Jakarta en legerbazen verleenden steun. Zij zagen in de FPI een conservatief tegenwicht tegen demonstrerende studenten. Nadien is steun vanuit politiek en bestuur nooit verdwenen.”

De nieuwe wet laat volgens Harsono zien hoezeer president Susilo Bambang Yudhoyono zich in zijn 8,5-jarig presidentschap heeft laten leiden door de belangen van bevriende zakenpartners en soennitische moslimleiders. Harsono: „Deze wet dient om te voorkomen dat buitenlandse organisaties als Greenpeace te veel lawaai maken over het gevoeligste onderwerp van het land: corruptie rond palmolieplantages, houtkap en grondstoffen. Bijna iedere succesvolle ondernemer begint zijn rijkdom met palmolie. Papoea is een goudmijn voor het leger en de politie die daar hun eigen imperium runnen. Daar mag niet te veel kritiek op komen van grote bewegingen die weten hoe ze internationaal publiciteit moeten zoeken.”

De andere motivatie achter de nieuwe wet is religieus gedreven, meent de Human Rights Watch-onderzoeker. Onder president SBY is het voor religieuze minderheden moeilijker geworden hun geloof te belijden. Christenen hebben in moslimdorpen toestemming van het dorpshoofd en een meerderheid van de inwoners nodig om een kerk te bouwen. Ahmadiyya en sjiieten worden door de minister van religieuze zaken Suryadharma Ali aangemoedigd om zich te bekeren tot soennieten om „van het gedoe af te zijn”. „De nieuwe wet maakt het onmogelijk voor Ahmadiyya om zich te verenigen want hun geloof wordt door soennieten, die het ministerie van religieuze zaken domineren, gezien als blasfemie. Daarmee is de nieuwe wet het sluitstuk van het beleid van SBY waarmee religieuze discriminatie in Indonesië is gelegaliseerd.”

Voor de FPI lijkt de storm van kritiek gepasseerd. Bestuursleden zijn naar Kendal afgereisd om excuses aan te bieden aan de nabestaanden van de overleden Tri Munarti. Prominente FPI-leden beloofden de opleiding van haar zoon te betalen. Dat kost de beweging 40 euro per maand.