‘Geen rolstoel kan Lemmy stoppen’

Pep Bonet won prijzen met geëngageerd werk over aids, armoede en Afrika. Nu exposeert hij foto’s van zijn favoriete band: Motörhead.

Komt een rocker bij de dokter. Of zijn bloed kan worden ververst, want hij heeft gehoord dat Keith Richards dat ook heeft gedaan. Na een test zegt de dokter: dat gaat niet, want dan sterft u. Uw bloed zit zo vol met amfetaminen dat een normaal mens daar allang aan was bezweken. Omgekeerd zou normaal bloed voor u funest zijn.

En dus bleef Ian Fraser Kilmister, beter bekend als Lemmy, trouw aan zijn zelfmedicatie van dagelijks neuspoeder afgewisseld met Jack and Cokes (whisky-cola’s). Zijn band heette niet voor niets Motörhead, straattaal voor speedsnuiver. Lemmy, bekend van grote gelaatswratten en een grote hoeveelheid door hem versleten vrouwen, maakte met ‘de hardste band ter wereld’ in 38 jaar twintig studioalbums. Nummer eenentwintig, Aftershock, verschijnt volgende maand.

Het lijkt niet meteen een onderwerp waar een sterk geëngageerde fotograaf Pep Bonet (1974) zich met volle overgave op wil storten. Toch was het een droom die uitkwam, zegt de Spanjaard, wonend op Mallorca. Hij werkt voor het fotopersbureau Noor en won al talloze onderscheidingen voor zijn series over humanitaire misstanden en vergeten brandhaarden. Dit jaar ontving hij een World Press Award (categorie Online Short) met een film over het lot van arbeidsmigranten in Zuid-Afrika.

En nu is er dan zijn fotoboek en expositie Motörhead Röadkill, te zien in de Amsterdamse Melkweg. Vanaf 2008 zat hij de band op de huid: thuis, op tour én in de studio.

Waarom Motörhead?

„Ik fotografeerde veel voor het Amerikaanse blad Rolling Stone. Nooit muziek, altijd de dingen waarvan iedereen me kent: aids in Afrika, oorlogsslachtoffers in Sierra Leone. En toen vroegen ze me: ‘Welke band zou je willen doen?’ Ik mocht elke artiest noemen: Jack White, AC/DC, Rolling Stones. Maar ik antwoordde meteen: Motörhead. In de wereld draait het altijd om geld en wat de massa wil, maar Motörhead is het voorbeeld bij uitstek van trouw blijven aan je principes. Je eigen pad volgen. Bovendien ben ik fan vanaf mijn dertiende. Toen ik het nummer Ace of Spades voor het eerst op de radio hoorde, heb ik meteen hun muziek gekocht – toen nog op cassette.”

Hoe reageerde Rolling Stone?

„Ze hielpen me contact te leggen, maar zeiden meteen dat ze geen foto’s hoefden. Toen ik die na de eerste tournee toch stuurde, hebben ze alsnog hun beste interviewer gestuurd om Lemmy thuis te interviewen. Het stuk werd acht pagina’s lang. Dat voelde als gerechtigheid. Dat was de band ook nog nooit overkomen.”

Was het moeilijk integreren?

„In het begin moest ik mezelf bewijzen. Na ieder optreden reed ik in een huurauto vijfhonderd kilometer achter ze aan voor de volgende show. Maar na twee weken zei de band: vergeet die auto, rij mee in onze tourbus. Dat ik zo zou worden opgenomen in de crew, had ik totaal niet verwacht. Eenmaal in Zuid-Amerika vlogen we alles. Toen was ik zogenaamd gepromoveerd tot assistent van gitarist Phil Campbell, zodat alles voor me werd geregeld. Ik kon mezelf daardoor onzichtbaar maken.”

Hoe ziet hun leven eruit?

„Het zijn drie keihard werkende mensen. Ik ben dertig jaar jonger en vond de tournees al zwaar –en dan hoefde ik alleen maar te fotograferen. Na de band drie jaar van dichtbij te hebben meegemaakt, is mijn bewondering gegroeid. Ik blijf ze ook fotograferen, vorige week nog.

„Het zijn aan de ene kant kleine jongens die de hele dag flauwe grappen maken. Een van de belangrijkste tourregels luidt: steek nooit iets in je mond waarvan je de herkomst niet kent. In ieder stuk brood of elke sandwich kan iets verborgen zitten, van schaamhaar tot erger.

„Toch ben ik ook naïef geweest. Ik dacht dat ik echt een rockband ging fotograferen, maar het is eigenlijk één band met drie verhalen. Ze leven in gescheiden werelden. Ze zien elkaar alleen bij de soundcheck en het optreden. Tussendoor leiden ze in hun eigen kleedkamers een teruggetrokken bestaan. Lemmy zat bijvoorbeeld vaak stilletjes te lezen.”

Was het voor u een cultuurschok, door uw andere werk?

„Tussendoor bleef ik werken aan de projecten over kindersterfte en slavenarbeid in Bangladesh. Dat is waarom ik fotografeer. Maar het hoeft niet altijd over ellende te gaan. Ik vind het heerlijk om van een treurig naar een blij verhaal over te stappen. Dat geeft een soort rust, ook wat betreft waardering. Als ik in Afrika misstanden fotografeer, stel ik mezelf bloot aan tal van gevaren. En dan? Niets! Niemand die het publiceert! Waarom? Nobody fucking cares! Maar iedereen is wel geïnteresseerd in seks, drugs en rock-’n-roll. Voor alle duidelijkheid: ik wil beide blijven fotograferen.

„Voor de rest van de wereld is Motörhead misschien niet het meest relevante verhaal, maar ik wilde de geschiedenis van de rock-’n-roll boekstaven. Lemmy verdiende dit. Het was ongelooflijk dat nog niemand zijn band intiem had vastgelegd. Beelden van Motörhead waren altijd hetzelfde. Ook de in 2010 verschenen documentaire Lemmy: The Movie mist intimiteit, vind ik.”

Op een Nijmeegs festival stond Lemmy (67) onlangs bibberend op het podium. Hij begroette het publiek met ‘Hallo Eindhoven’. Houdt hij het vol?

„Hij is nu even niet op zijn best. Vanwege zijn gezondheidsproblemen zijn shows afgezegd. [Onlangs werd een defibrillator bij hem geïmplanteerd, red.] Vorige week was ik op het Duitse metalfestival Wacken Open Air waar hij per se wilde laten zien dat hij weer kon spelen. Het was er bloedheet. Na een half uur moest hij stoppen. Maar ik weet zeker dat hij er bovenop komt. Hij heeft nog steeds dezelfde bezieling en als Lemmy iets wil, gebeurt het ook. Dan is er geen rolstoel die hem kan stoppen.”

Motörhead Röadkill is t/m 8 sept. te zien in de Melkweg (Amsterdam).