Begin eens met de wet handhaven op dat ‘vrije’ internet

Online beseffen we onvoldoende dat een tweet geen sms is, constateren José van Dijck en Thomas Poell.

Na een kritische column in dagblad Metro over islamisering en vrijheid van meningsuiting in Turkije ontving de auteur, Ebru Umar, de afgelopen weken meer dan 2.000 tweets met beledigingen en bedreigingen.

Vrijwel tegelijkertijd werden in Groot-Brittannië feministen op Twitter met dood en verkrachting bedreigd, nadat zij hadden gepleit voor het afbeelden van een vrouw – schrijfster Jane Austen – op het bankbiljet van 10 pond.

Deze golf aan bedreigingen bracht Twitter en andere aanbieders van sociale media in verlegenheid. Lang presenteerden ze zich als neutraal platform, als doorgeefluik voor meningen, maar nu worden ze bekritiseerd vanwege hun passieve rol.

Wie zijn er eigenlijk verantwoordelijk? De eigenaars, de gebruikers of de overheid? Sociale media blijken geen schuttingen te zijn waarop je naar hartenlust leuzen kunt kalken. Evenmin blijkt het een verlengstuk van de informele sfeer. In kroeg of huiskamer kun je ook niet zeggen wat je wil, maar het bereik is daar te overzien.

Inmiddels moeten we inzien dat alles wat je tweet een formele status kan krijgen. Het potentiële bereik is enorm en de afzender is voor de autoriteiten traceerbaar. Probleem is dat veel gebruikers onvoldoende beseffen dat sociale media niet tot de particuliere maar tot de publieke ruimte behoren. En daar horen omgangsvormen bij. Ja, zelfs wetten en regels die gehandhaafd moeten worden door de politie.

Niet alleen voor gebruikers is de overgang van de informele naar de formele ruimte nog wat onwennig, ook platformeigenaren en ordehandhavers worstelen met hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Lange tijd hebben diensten als Twitter en Facebook zich gepresenteerd als een nutsbedrijf, een soort waterleiding waardoor miljoenen berichten per dag stromen. Voor de inhoud voelden zij zich niet verantwoordelijk, ze faciliteerden slechts de communicatie. De vergelijking met krant of tijdschrift ging volgens de internetbedrijven niet op.

Die houding is niet langer opportuun. Twitter is geen nutsbedrijf, maar een mediabedrijf. Weliswaar voert het geen redactie, maar via algoritmes en technische mechanismen (hashtags en retweets) organiseert het wel degelijk discussies.

Wie communicatie organiseert en daar geld aan verdient, draagt ook verantwoordelijkheid voor het verloop ervan. Onder druk van een petitie met meer dan 125.000 ondertekenaars heeft Twitter nu beloofd een rapporteerknop in te stellen. Maar is dat voldoende? In The Guardian stelde een politieman vorige week voor pseudoniemen te verbieden en legitimatieplicht in te voeren.

Met huisregels alleen komen we er niet. Politie en justitie dienen op internet hun gezag te laten gelden. Men weet zich bijvoorbeeld nog steeds geen raad met een Facebook-oproep voor een Project-X-feestje of een bommelding van een gefrustreerde scholier. Zoals de discussie na Project X Haren duidelijk maakte, hebben politie en justitie nog weinig zicht op de sociale turbulentie rondom dergelijke berichten. Laat staan dat ze weten hoe erop gereageerd moet worden.

Hoe moet er dan gereguleerd en gereageerd worden? Het verbieden van pseudoniemen is niet de oplossing. Juist anonimiteit gaf politieke activisten in Egypte, Iran en China vleugels en bescherming tegen repressie. Ook aan rapporteerknoppen, waarmee gebruikers berichten als onwelgevallig kunnen aanmerken, zitten nadelen. Politieke minderheden komen erdoor in de verdrukking.

Voor we ons heil zoeken in dit soort kunstgrepen is het van belang eerst de wet te handhaven. Alles wat in de publieke communicatie strafbaar is, is dat ook op sociale platformen. Verzenders van dreigtweets moeten vervolgd en gestraft worden. Het grijze gebied, daar waar de communicatie bepaald wordt door normen en waarden, is een zaak voor de platformeigenaren en hun gebruikers. Zelfregulering dus.

De lawines aan dreigtweets van de afgelopen weken hadden voorkomen kunnen worden als internetbedrijven en overheden wat alerter geweest waren. Als zij eerder de handen ineen hadden geslagen was het nooit zo uit de hand gelopen.

Die samenwerking is cruciaal en bovenal nationaal. Een wereldwijde oplossing is er niet, want ieder land heeft eigen wetten. Laten we in ieder geval erkennen dat internet geen vrijstaat is, maar publieke ruimte.

José van Dijck en Thomas Poell zijn respectievelijk hoogleraar en universitair docent Media Studies aan de Universiteit van Amsterdam.