Bedrijven investeren liever in techneuten dan in filosofen

Het Nederlandse bedrijfsleven investeert relatief veel in wetenschappelijk onderzoek. Vooral gespecialiseerd onderzoek is populair. De KNAW vreest dat er minder geld zal zijn voor fundamenteel onderzoek. „Misschien moet de overheid inzetten op meer publieke wetenschappers.”

Hè? Klopt dat cijfer echt? Scoort Nederland werkelijk zo hoog?

Vandaag heeft het Britse tijdschrift Times Higher Education een ranglijst gepubliceerd: per land was gemeten hoeveel geld het bedrijfsleven investeert in universitair onderzoek. Nederlandse onderzoekers scoren verrassend hoog. Wereldwijd halen ze, na wetenschappers uit Zuid-Korea en Singapore, het meeste op aan private investeringen: gemiddeld 72.800 dollar (54.566 euro). In Europa scoort Nederland met dat bedrag het hoogst. Hoe kan dat?

1Het was toch juist het algemene idee dat het bedrijfsleven in Nederland weinig investeert in onderzoek?

Er wordt inderdaad gezegd dat de private investeringen in onderzoek & ontwikkeling (R&D) al jaren aan de lage kant zijn in Nederland. Dat klopt ook als je naar de jaarlijkse cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kijkt. Maar wat zeggen die cijfers?

In 2011 werd aan ‘R&D in de bedrijvensector’ 6,8 miljard euro uitgegeven, zo blijkt uit cijfers die het CBS afgelopen juli publiceerde. Omgerekend is dat 1,1 procent van het bruto binnenlands product. Daarmee scoort Nederland net onder het EU-gemiddelde (Finland scoorde hier het hoogst, met 2,7 procent). R&D in het hoger onderwijs bedroeg 4 miljard euro. Ofwel, 0,66 procent van het bbp. Net iets boven het EU-gemiddelde (hier staat Denemarken aan kop, met 0,9 procent).

Nou is er op die cijfers wel wat aan te merken. Zo bestaan die 4 miljard euro voor R&D in het hoger onderwijs niet alleen uit publiek geld, legt een woordvoerder van het CBS desgevraagd uit. Daar zit ook bedrijfsgeld bij. Hoeveel, is het CBS niet bekend. Maar het vertekent de totale bijdrage van het bedrijfsleven wel.

Ook de internationaal gebruikte meetmethode, waarbij R&D-uitgaven als percentage van het bbp worden weergegeven, vertekent. Dat zegt Emmo Meijer, die directeur R&D is bij zuivelbedrijf FrieslandCampina, en eerder dezelfde functie heeft bekleed bij de Nederlandse multinationals Unilever en DSM. Landen met bijvoorbeeld een sterke farmaceutische industrie of automobielsector scoren hoge percentages omdat onderzoek in deze sectoren, en zeker de ontwikkeling van nieuwe producten, verhoudingsgewijs veel geld kost. Economische terreinen waarin Nederland van oudsher sterk is, bijvoorbeeld agrofood en petrochemie, geven relatief weinig uit aan R&D. „Maar als je de R&D-uitgaven aan agrofood in Nederland zou vergelijken met die in een ander land, scoren we juist hoog”, zegt Meijer. „Die nuance probeer ik politici al jaren uit te leggen, maar het is net alsof ze dat niet begrijpen.” Nederland heeft verder een relatief grote dienstensector, en die investeert weinig in R&D.

2Wat maakt de Nederlandse wetenschapper zo aantrekkelijk?

De kwaliteit van onderzoek is in Nederland erg hoog, zegt Jos van der Meer, hoogleraar interne geneeskunde aan het Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen. Hij verwijst naar een rapport dat de Zweedse Koninklijke Akademie der Wetenschappen afgelopen december publiceerde – hij zat in de begeleidingscommissie. In het rapport wordt de Nederlandse wetenschap geprezen. De auteurs noemen haar „een enigma” want ondanks het beperkte overheidsbudget voor wetenschap nemen Nederlandse onderzoeksgroepen en universiteiten internationaal leidende posities in. Ze verklaren dat met het feit dat Nederland sinds de jaren 80 grote nadruk legt op kwaliteit, geborgd door onder meer strenge visitaties. Op onderzoekers ligt betrekkelijk vroeg – al in het promotietraject – grote druk om te publiceren. Liefst in zo hoog mogelijk aangeschreven bladen. „Nederlandse onderzoekers zijn bereid keihard te werken, voor betrekkelijk weinig geld”, zegt Van der Meer.

„Het zijn ook goede netwerkers”, zegt Meijer van FrieslandCampina. „En ze spreken hun talen.”

3Waarom scoren de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zo slecht op de ranglijst, respectievelijk plek 14 en 26?

„Zij hebben veel grote, algemene universiteiten”, zegt Phil Baty, de redacteur die de jaarlijkse ranglijst samenstelt samen met dataverwerker ThomsonReuters. „Daar zitten ook veel wetenschappers die weinig bedrijfsgeld aantrekken. Filosofen, historici.”

Dat Nederland zo goed scoort heeft er volgens Baty vooral mee te maken dat nogal wat universiteiten erg toegespitst onderzoek doen. Wageningen UR legt zich bijvoorbeeld toe op agrofood. Ook de drie technische universiteiten in Delft, Eindhoven en Enschede hebben duidelijke profielen. Bedrijven weten hen makkelijk te vinden. Emmo Meijer van FrieslandCampina bevestigt dat. „Je weet waar de goede mensen zitten, voor de verschillende onderwerpen.” Zijn bedrijf werkt veel samen met Wageningen UR . Maar ook met de Universiteit Maastricht, bijvoorbeeld op het gebied van humane voeding. „Zo is Groningen belangrijk op het onderwerp healthy aging. En Nijmegen is sterk in cognitieonderzoek, als het gaat om voorkeuren van consumenten.”

4Is die derde plek van Nederland het gevolg van het topsectorenbeleid dat door het kabinet-Rutte I is ingezet?

„Als je maar niet schrijft dat die hoge score het gevolg is van het topsectorenbeleid”, zegt Meijer van FrieslandCampina. Volgens hem werken bedrijfsleven en universiteiten in Nederland al decennia goed samen. Zo had je de Technologische Topinstituten. Die waren er tien, bijvoorbeeld voor voeding, kunststoffen, watertechnologie. De topinstituten zijn nu vervangen door de topsectoren, waarvan er negen zijn. Wel heeft de overheid zijn uitgaven teruggeschroefd, en bepaalt het bedrijfsleven nu meer de richting van het onderzoek.

5Wordt het bedrijfsleven dan niet te machtig?

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) heeft in een rapport eerder dit jaar haar zorgen daarover uitgesproken. Ze is bang dat wetenschappers minder hun eigen nieuwsgierigheid kunnen volgen. En dat er minder ruimte zal zijn voor fundamenteel onderzoek. Aangezien de onderzoeksprogramma’s binnen de topsectoren nog ingevuld worden, is nog niet te zeggen of de angst van de KNAW gegrond is.

Hans Clevers, president-directeur van de KNAW, hekelt in ieder geval de bezuiniging van het kabinet op universitair onderzoek. Die derde plek op de vandaag gepubliceerde ranglijst laat maar weer eens zien hoe belangrijk dat wetenschappelijk onderzoek is voor de industrie. Hoe zeer het bedrijfsleven steunt op de wetenschap. „Misschien moet de overheid juist inzetten op méér publieke wetenschappers om dit vliegwiel nog harder te laten draaien.”