Bedrijf betaalt graag om tomaat lekker te maken

Nederlandse onderzoekers zijn betrouwbaar. Daarom betalen bedrijven graag mee aan wetenschappelijk onderzoek, zegt de Wageningse hoogleraar Ernst Woltering.

Hoogleraar Ernst Woltering in de kassen waar onderzoek wordt gedaan naar verbetering van de smaak van tomaten en sla.
Hoogleraar Ernst Woltering in de kassen waar onderzoek wordt gedaan naar verbetering van de smaak van tomaten en sla. Foto Andreas Terlaak

Zijn salaris komt al vijf jaar bij twee commerciële bedrijven vandaan. Ernst Woltering is wel in dienst bij de Wageningen Universiteit, maar zijn leerstoel – hij is bijzonder hoogleraar productfysiologie en kwaliteit – wordt gefinancierd door versbedrijf The Greenery en groenteveredelingsbedrijf Rijk Zwaan. Net als de twee promotieonderzoeken die onder zijn supervisie vallen.

Het verbaast Woltering niet dat Nederland wereldwijd zo hoog blijkt te scoren op het gebied van commerciële investeringen in de wetenschap. „Hier gaat vanuit de overheid relatief weinig geld naar wetenschappelijk onderzoek. Dus pakken ondernemingen dat op, omdat ze beseffen dat ze anders achterblijven in kennisontwikkeling.” Ze verwachten dat de kennis zich later zal terugverdienen.

Woltering onderzoekt hoe de smaak en kwaliteit van verse tuinbouwproducten, zoals tomaten, verbeterd kan worden. Dat kan door de planten voor dit soort kwaliteitseigenschappen te ‘veredelen’: twee planten met verschillende goede eigenschappen worden gekruist, waarna het zaad van deze plant wordt verzameld.

Lange tijd werden planten vooral veredeld om de productie effectiever te maken. Om de planten bijvoorbeeld zoveel mogelijk vruchten in zo weinig mogelijk tijd te laten produceren. En om ze resistent te maken tegen ziektes.

Er werd weinig aandacht besteed aan het verbeteren van de smaak. „Terwijl consumenten iets anders gaan kopen als de smaak tegenvalt. In Duitsland gebeurde dat een tijdje geleden. De Duitsers vonden de Nederlandse tomaten niet meer lekker.”

Als zijn onderzoek is afgerond, gaan de resultaten niet alleen naar de opdrachtgever. Ze worden gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften, daar doet de commerciële financiering niets aan af. De geldschieter krijgt wel de mogelijkheid om nieuwe ideeën als eerste te patenteren, maar „in de contracten die we bij de universiteit sluiten is weinig ruimte voor geheimhouding.”

Bij aan de universiteit verbonden onderzoeksinstituten, is soms wat meer ruimte voor geheimhouding. Daar worden vaak hele praktische onderzoeken gedaan. „Een onderneming kan bijvoorbeeld vragen wat de beste manier is om bloemen van Afrika naar Nederland te verschepen.” Dat soort onderzoeksresultaten kunnen dan uitsluitend naar de opdrachtgever gaan. Of ze worden pas na vijf jaar openbaar gemaakt.

En als uit het onderzoek niet de verwachte resultaten komen? Als het bedrijf er niets mee kan beginnen? Dan is daar meestal begrip voor, zegt Woltering. Daar zijn bedrijven realistisch in. „Ze weten wat onderzoek is.”

Woltering denkt dat Nederland zijn hoge positie in de ranglijst mede te danken heeft aan de onderzoekscultuur. „We hebben hier een traditie van afspraken nakomen, projectmatig werken, binnen het budget blijven. Daarom zullen bedrijven soms eerder voor Nederlandse dan, bijvoorbeeld, een Franse universiteit kiezen.”

Dat er zo’n cultuur heerst, is ook niet zo gek, denkt hij. „De overheid is al 10 à 15 jaar bezig met het verminderen van de onderzoeksfinanciering. Dan moét je wel een bedrijfsmatige cultuur opbouwen. Het geld komt niet meer vanzelf naar je toe.”

Tegenwoordig ziet Woltering binnen zijn terrein dat er bijna geen onderzoeken meer gedaan worden waar het bedrijfsleven níet bij betrokken wordt. „Ook als we een subsidie krijgen van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek of de Stichting Technische Wetenschappen, wordt vaak als voorwaarde gesteld dat er bedrijven zijn die meebetalen.”

Dat betekent dus dat voor elk onderzoek wordt nagedacht welke bedrijven benaderd kunnen worden. Want zo gaat het meestal: de wetenschappers bedenken wat ze willen onderzoeken. Daarna wordt een bedrijf gezocht dat geïnteresseerd zou kunnen zijn. Dat is lastig, benadrukt Woltering. Maar meestal lukt het om zo’n onderneming te vinden. „Uiteindelijk willen ze toch meer te weten komen.” En af en toe gaat het andersom: dan benadert een bedrijf een wetenschapper met een onderzoeksvraag. Daar is volgens Woltering niets mis mee: „Het dwingt je juist om zaken te onderzoeken die belangrijk zijn voor bedrijven.”

In de VS is de sponsoring van onderzoek al veel verder ontwikkeld dan in Nederland, vindt Woltering. Daar is bijvoorbeeld ook sponsoring door individuen heel normaal – vaak zijn dat rijke mensen die voorheen aan die universiteit gestudeerd hebben. Daarom had hij verwacht de VS hoger zou staan dan de veertiende plaats. „In de VS worden op de campus zelfs hele gebouwen gesponsord door privépersonen.”

Hij verwacht, en hoopt, dat in Nederland op den duur ook gesponsorde universiteitsgebouwen zullen staan. Met de naam erop van een oud-student die veel geld heeft verdiend in het bedrijfsleven. „Nu lopen we nog achter op dat gebied.”