Bankroet zoals in Detroit is ook hier goed mogelijk

Het recente faillissement van ‘Motor City’ Detroit staat niet op zichzelf. Het kan iedere stad in de wereld overkomen die zich te afhankelijk maakt van één enkele economische activiteit, meent Brian Doucet. Steden – ook Nederlandse – moeten leren van dit geruchtmakende Amerikaanse bankroet.

Illustratie Petar Pismestrovic

Honderd jaar geleden was Detroit vergelijkbaar met het huidige Silicon Valley. Als koploper van de industriële innovatie trok de stad een groot aantal ondernemers aan. Henry Ford perfectioneerde de assemblagelijnen en zo ontstond een geheel nieuwe manier van produceren. Deze ontwikkeling leidde ertoe dat grote groepen mensen naar Detroit verhuisden waarmee de stad een van de snelst groeiende in de wereld werd. In de vroege naoorlogse jaren kende Detroit de beste openbare scholen en het hoogste eigenwoningbezit. In 1960 woonden er bijna twee miljoen mensen in Detroit.

Hoe kan het dat een stad die ooit zo rijk was, nu failliet is en minder dan 700.000 inwoners heeft? Verklaringen die enkel gericht zijn op de economische crisis en de malaise op de huizenmarkt, en op politiek mismanagement, missen de bredere structurele trends van de-industrialisatie en globalisering die keihard hebben toegeslagen in ‘Motor City’, harder dan in andere steden. Het is geen recente ontwikkeling; goedbetaald fabriekswerk begon al in de jaren 50 te verdwijnen.

Om een voorstelling te maken van de dramatische ontwikkelingen in Detroit is het interessant om een Nederlandse stad zoals Amsterdam (meer dan 800.000 inwoners) in gedachten te nemen.

Stel je nu voor dat binnen vijftig jaar dit aantal is teruggelopen tot 280.000. Van de groep blijvers is bijna de helft analfabeet (wat betekent dat de lezer van dit verhaal waarschijnlijk ook de stad verlaten heeft), en leeft 36 procent beneden de armoedegrens. Binnen zestig jaar zou de belangrijkste economische sector meer dan negentig procent van het aantal banen verloren hebben. Zestig procent van de belastinginkomsten is verdampt.

Hoe zouden de gebouwen, parken, voorzieningen en gemeentelijke diensten in Amsterdam eruitzien als nog maar 35 procent van de (huidige) bevolking over zou zijn? Als de lezer zich hier enigszins een voorstelling bij kan maken dan krijgt hij mogelijk een beeld van wat er gebeurd is met het ‘Parijs van het Mid-Westen’.

Velen zullen naar Motor City kijken en stellen dat dit „nooit bij ons zal kunnen gebeuren”. Maar hoewel er grote verschillen in het bestuursmodel zijn, zijn ook Europese steden blootgesteld aan brede, structureel economische ontwikkelingen. De-industrialisatie heeft veel Europese industriesteden hard geraakt, maar in vergelijking met Amerikaanse industriesteden zijn de gevolgen nog mild gebleken.

Dat komt doordat de nationale overheden in Europa een sterkere rol spelen in welvaartsverdeling en herverdeling van inkomen tussen rijke en arme regio’s. Zonder dergelijke grootschalige interventies zouden steden als Glasgow, Duisburg en Rotterdam waarschijnlijk veel meer op Detroit of Cleveland geleken hebben.

In de Maasstad, bijvoorbeeld, zijn nu veel minder arbeiders nodig om schepen te laden en lossen dan vijftig jaar geleden. Werkloosheid en armoede gingen omhoog door deze economische verandering in de haven. Ter bestrijding van dit soort problemen investeren de gemeente Rotterdam en de Rijksoverheid veel meer in herstructureringsprojecten (denk aan de Kop van Zuid) dan vergelijkbare overheden in de VS. Maar toch zien we dat ook in steeds meer Europese landen de staat zich terugtrekt en dat bewoners en steden voor zichzelf moeten opkomen.

Het voorbeeld van Detroit is een waarschuwing voor wat er met een gebied gebeurt als zijn economische motor verdwijnt. Slecht politiek bestuur, arbeidsverhoudingen, rassenrelaties en regionale fragmentatie hebben weliswaar geen gunstige rol gespeeld in Detroit, maar zijn niet de belangrijkste oorzaak van het huidige bankroet.

Steden zouden moeten leren van de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in Detroit. Ga maar na hoe belangrijk de financiële dienstverlening is voor de rijkste steden. New York, Londen en Frankfurt zijn allemaal wereldleiders in de postindustriële periode, net als Detroit of Manchester wereldleiders waren in het industriële tijdperk.

Wat zou er van deze eerstgenoemde steden overblijven als de financiële dienstverlening besluit te vertrekken naar China of de Golfstaten? Ontkennen dat zoiets ooit mogelijk is doet denken aan de inwoner van Detroit in de jaren 60 van de vorige eeuw die stelde dat auto’s nooit in Japan, Korea of Zuid-Amerika geproduceerd zouden worden.

Steden die al te zeer afhankelijk zijn van een enkele economische sector lopen het risico hun welvaart te verliezen als de sectoren die deze de welvaart hebben gebracht veranderen en de betrokken steden niet goed inspelen op die veranderingen. Dat gold in de industriële periode en het geldt ook vandaag de dag. Detroit was gespecialiseerd in één ding: het maken van auto’s. Natuurlijk zijn veel Nederlandse steden economisch veel diverser dan Detroit. Ook is een bankroet in de Nederlandse stedelijke context op het eerste oog misschien niet snel voorstelbaar. Maar het faillissement van Detroit is geen geïsoleerde gebeurtenis: het is de opeenstapeling van decennia van economische achteruitgang en structurele verschuivingen waar Nederlandse (en Europese) steden niet immuun voor zijn.

Een belangrijke les voor degenen die zeggen dat een achteruitgang zoals in Detroit zich hier nooit zou kunnen voltrekken, is dat we niet moeten kijken naar de armoede en het bankroet van nu. In plaats daarvan moeten we kijken naar hoe modern, innovatief en welvarend de stad slechts enkele decennia geleden was.

Brian Doucet is docent geografie aan de Universiteit Utrecht. Hij leidt een excursie naar Detroit als onderdeel van de master urban geography.