Angst is het voornaamste gevoel, hier

Fotograaf Oleg Klimov vaart over het Belomorkanaal, richting Sotsji aan de Zwarte Zee, en legt aan bij ‘Werkkamp nummer 7, in een van Jozef Stalins ‘verboden zones’. „Goedendag, we komen voor Chodorkovski”, zeg ik luchthartig.

Tussen de eerste en de tweede sluis in het Belomorkanaal.
Tussen de eerste en de tweede sluis in het Belomorkanaal.

Bij nederzetting Segezja worden we meteen verwelkomd door een verbodsbord. We zijn in de ‘zone’, zoals het gebied sinds de tijd van Jozef Stalin heet, in de taiga van Karelië, nog geen twintig kilometer ten zuiden van sluis nummer 10 van het Belomorkanaal in het hoge noorden van Rusland. Achter het verbodsbord staan hoge omheiningen. En wachtposten met automatische wapens, prikkeldraad en blaffende honden. Voor Werkkamp nummer 7, in de volksmond het ‘zeventje’.

Ik bel aan. Een zware deur gaat open. Na nog een paar van zulke deuren komen we bij de cipier/officier van dienst. „Goedendag, we komen voor Chodorkovski”, zeg ik luchthartig.

In het ‘zeventje’ zit olie-oligarch Michail Chodorkovski zijn tweede gevangenisstraf van in totaal veertien jaar uit. Voormalig bewaker A van het ‘zeventje’ heeft ons eerder verteld dat ‘Chor’ net zo leeft als alle andere gevangenen. Er is maar één verschil. Boven zijn bed, in zijn cel die regelmatig door de cipiers in een ‘huiszoeking’ overhoop wordt gehaald, hangt een videocamera die hem dag en nacht observeert.

Een van de bewakers neemt meteen mijn documenten in beslag en drukt mijn camera tegen zijn borst. We fotografeerden inderdaad, ondanks het verbodsbord. Fotograferen is altijd en overal verboden. Zelfs buiten het kamp. Want de ‘zone’ mag niet in beeld komen.

Maar het is toch niet verboden om met mensen te praten, dachten wij. Ten onrechte. Al in de nederzetting buiten het kamp was een majoor met een pet en een camera ons tegemoet gekomen. „Jullie moeten de nederzetting onmiddellijk verlaten. Dit is een verboden zone”, zei hij. Hij keek zo doordringend en haatdragend, dat ik me kon voorstellen hoe de tsjekisten (geheime agenten) van Jozef Stalin in de jaren dertig uit hun ogen keken.

We varen door het Belomorkanaal in het kader van onze reis van Solovki Eilanden in de Witte Zee, waar in 1923 het eerste sovjetconcentratiekamp werd ingericht, naar Sotsji aan de Zwarte Zee, waar in 2014 de Olympische Winterspelen worden gehouden.

Tachtig jaar geleden werd het Belomorkanaal, een heropvoedingsproject van het Volkscommissariaat Binnenlandse Zaken (de staatsveiligheidsdienst NKVD), door dwangarbeiders gegraven om een waterweg tussen de Witte Zee en de ijsvrije Baltische Zee te scheppen. Bij de feestelijke opening op 17 augustus 1933 kwamen 120 schrijvers opdraven. Onder wie Maksim Gorki, Aleksej Tolstoj, Boris Pilnjak, Ilja Ilf & Jevgeni Petrov en Michail Zosjtsjenko. Fotograaf Aleksandr Rodtsjenko, die voor de NKVD werkte, was hen voor gegaan. Een groot deel van deze schrijvers werkte daarna mee aan een gedenkboek voor het 17de congres van de communistische partij, het ‘congres van de overwinnaars’. Van de naar schatting honderdduizend ‘volksvijanden’ die hier onder leiding van de ‘tsjekisten’ van de NKVD in recordtempo aan het Belomorkanaal hadden gewerkt, kwamen er officieel 12.000 om het leven, officieus 25.000.

Nu, na tachtig jaar, is het Belomorkanaal meer een herdenking dan een rationele en rendabele waterweg. Als gedenkplek is het vooral een herinnering aan staatsterreur en misdaden tegen de menselijkheid. Althans, als dat eerlijk wordt gezegd. Iets eerlijk zeggen was toen verboden. Tegenwoordig wordt iets eerlijk zeggen „niet positief” gevonden.

Langs het Belomorkanaal wonen nu in meerderheid mensen zonder historisch besef. Zij die het kanaal hebben gegraven, zijn gesneuveld of neergeschoten. Nadat de NKVD de leiding over de bouw hadden overgedragen, vestigden zich nieuwe mensen: ‘gedekoelakiseerden’ (vrije boeren, koelakken die gecollectiviseerd waren), tot ballingschap veroordeelden en voorwaardelijk vrijgelaten criminelen. Velen van hen sneuvelden ook, door de zware arbeid en de ruige natuur.

Maar er is wel een verschil. Van deze laatsten zijn wel graven en kruisen overgebleven, niet alleen ‘executiekuilen’ waarin de eerste dwangarbeiders liggen.

Net als tachtig jaar geleden liggen er langs het Belomorkanaal en de sluizen ook nu nog steeds werkkampen en gevangenissen. En net als toen is de bevolking verdeeld in twee standen: zij die zitten of werken in de gevangenissen en kampen en zij die de hen moeten bewaken.

Ook direct naast Sluis nummer 10, waar we eerder langs voeren, bevindt zich een gevangenis: eentje onder ‘zwaar regime’. Als ik het motorschip ‘Moeder Siberië’ zie – ik ben geboren in Siberië – begin ik te fotograferen. Meteen hoor ik: „Hé, hé!” Ik moet me ertoe zetten om me niet om te draaien naar de bewaker met zijn automatische wapen. Ik ga door met fotograferen. De bewaker van de MVD roept opnieuw: „Hé, hé!” . Mijn camera doet weer ‘klik’. Waarna de bewakers zijn automatische geweer ontgrendelt, een geluid dat ik altijd zal onthouden sinds ik in Tsjetsjenië voor een vuurpeloton ben gevoerd. Ik stop met klikken en keer me om.

De loop is op mij gericht. Een kameraad van de bewaker, zonder automatisch wapen maar met een pistool, loopt snel naar me toe. Ik doe mijn armen omhoog en zeg: „Ik ben journalist.” Zo deed ik ook altijd als in oorlogsgebied een wapen op me werd gericht. De bewaker pakt mijn documenten en wil me arresteren. Terwijl ik niet weet wat er verder zal gebeuren, komt de sluiswachter op ons aflopen. Ik vraag hem: „Zijn er spionnen gepakt?” „Spion of niet, toon hem nogmaals uw documenten”, antwoordt de sluiswachter terwijl hij mij met zijn arm verwijst naar de gevangenis. „Zou uw bewaker hebben geschoten als ik niet was opgehouden met fotograferen?” „Hij zou hebben geschoten. Dat is zijn werk.”„Prima. Mijn werk is fotograferen.” „Vooruit. Wij geven u de documenten terug en u stopt met fotograferen.”

De mens moet bang zijn voor de staat. En hij is ook bang voor de staat. Angst is het voornaamste gevoel van het Belomorkanaal en alle totalitaire systemen. Die angst is kennelijk genetisch geworden.

Verderop langs het kanaal varen we langs een beeltenis van Stalin. Het is uit wit marmer in zwarte stenen opgetrokken aan de oever van een singel. Ze zeggen dat het profiel van ‘de leider aller volkeren’ uitzonderlijk goed te zien is, in vogelvlucht of uit een militaire helikopter.

Overbodig nog te zeggen dat we, met onze fotoreportage, niet bezig waren het systeem te bestrijden, maar streden tegen onze eigen angst.

Het reisverslag is te volgen via http://journal.liberty.su of http://whitetoblack.liberty.su