Opinie

Watergate: de saga van Hoffman en Redford

De ombudsman

Hé, wat deed Robert Redford opeens op de cover van nrc.next, bij het spectaculaire nieuws dat The Washington Post van eigenaar wisselt?

Het kroonjuweel van The Post is een ode aan de rol van de pers

En was dat niet Dustin Hoffman, onderuitgezakt, daar naast hem?

Foto’s van de twee waren door de redactie gemonteerd in de voorpagina van The Post waarop de krant de verkoop aan Amazon-oprichter Jeff Bezos zelf bekendmaakte.

Die foto’s kwamen, natuurlijk, uit de speelfilm All the President’s Men (1976) waarin Redford en Hoffman Bob Woodward en Carl Bernstein spelen, de verslaggevers die een cruciale rol vervulden in het afluisterschandaal, dat Richard Nixon in 1974 tot aftreden dwong.

Binnenin bracht next een mooie productie, met een helder stuk over de koop en motieven van Bezos door Anne Dohmen (De krant is een speeltje geworden, 7 augustus), dat ook in NRC Handelsblad verscheen. (Zie daarover ook mijn blog op nrc.nl). Een kader ernaast bevatte kerndata over de geschiedenis van de krant (The Post: krant van trots en traditie).

Maar een kleine kanttekening bij dat kader is misschien wel op zijn plaats, want ook journalistieke legendes verdienen puntjes op de i.

Zo werd vermeld dat hoofdredacteur Ben Bradlee de twee jonge verslaggevers zelf op de inbraak „zette’’ – maar zo ging het niet; toen Bradlee op kantoor verscheen, was hun samenwerking al een voldongen feit. Dat laat onverlet dat hij (in de film en op de cover van next gespeeld door Jason Robards) de twee op de zaak hield, tegen gemor van chefs en meer ervaren redacteuren in.

Dit stukje kader spoorde ook niet helemaal: „De mannen legden langzaam bloot dat de top van de Republikeinse Partij, via het Comité tot Herverkiezing van de President, een omvangrijke spionagetactiek gebruikte om president Nixon herkozen te laten worden.” Het ging niet om de partijtop van de Republikeinen (die keerde zich uiteindelijk óók tegen Nixon), maar om het Witte Huis en de staf van de president.

Kan gebeuren. Veel interessanter is intussen dat op die next-cover niet beide journalisten zelf opduiken, maar de acteurs die hen wereldberoemd maakten. Dat onderstreept nog eens hoezeer Watergate niet alleen een historische gebeurtenis is, maar ook een archetype van de populaire cultuur, of zelfs een mythe.

Next-chef Hans Nijenhuis zegt over die keus: „We zochten naar een iconisch beeld om het belang van The Washington Post over te brengen bij een generatie die tijdens Watergate nog niet was geboren. Het beeld uit de film biedt de meeste kans op herkenning.’’

Dat is waar, maar iconisch is hier ook ironisch: de herkenning van acteurs, niet van de echte journalisten, moet de lezer het verhaal in trekken.

Ook dat is trouwens al een lange traditie. Want Redford en Hoffman sierden ook vele paperbackuitgaves van All the President’s Men, het boek van Woodward en Bernstein waarop de film werd gebaseerd. Geen wonder, dat verkoopt natuurlijk.

De verstrengeling van feit en fictie, van Washington en Hollywood, gaat zelfs nóg verder; want Redford had al tijdens het schandaal contact met het duo. Hij overtuigde hen ervan dat ze hun boek niet moesten opschrijven als een afstandelijke, feitelijke geschiedenis, maar als een journalistiek detectiveverhaal met henzelf in de hoofdrol.

Een journalistieke klassieker was geboren. Talloze journalisten zijn ermee opgegroeid, ervan in de ban geraakt en erdoor gefrustreerd geraakt (want doe het maar eens na). Sommigen hebben zelfs een foto van de film in hun kantoor hangen. En ja, ik heb ook een exemplaar van de eerste druk in de kast staan – met gelukkig nog gewoon de gewraakte president zelf op het omslag.

Maar zo is het begrip Watergate ook een mythe geworden, één die de feiten soms vertekent of versimpelt.

Op die next-cover stond bijvoorbeeld vermeld dat The Post de krant is „die met onthullingen over het Watergate-schandaal een Amerikaanse president ten val bracht’’.

Dat is ook de indruk die je overhoudt aan de film: twee jonge honden die eindeloos door kaartenbakken vlooien, of in hun bescheiden autootje door de lege straten van Washington koersen. Sombere muziek en de cameravoering – langzaam uitzoomen – versterken het beeld van vastberaden helden die, terwijl de natie in diepe slaap is, de verschrikkelijke waarheid aan het licht proberen te brengen.

Maar de inbraak in het Watergate-complex werd in feite vanaf het begin het middelpunt van intense journalistieke, justitiële en politieke speurzin. The Post werd aanvankelijk nog gescoopt door The New York Times, door The Los Angeles Times (die als eerste een interview had met een van de inbrekers), en ‘Deep Throat’, FBI-onderdirecteur Mark Felt, lekte intussen ook naar Time Magazine.

Trouwens, dat deed hij niet uit wroeging over de misdaden van Nixon, maar om zijn eigen FBI-baas pootje te lichten. Hij voelde zich gepasseerd bij diens benoeming.

De cruciale verdienste van The Post is dat die het verhaal niet losliet toen de krant eenmaal het voortouw had genomen, ook niet na de verpletterende herverkiezing van Nixon. De krant ging onverzettelijk dóór.

Maar ook weer niet alleen: inmiddels waren allerlei politieke raderen gaan draaien: er kwamen onderzoeken en hoorzittingen onder ede, die uiteindelijk Nixons lot bezegelden.

Kortom, Watergate was een complexe constitutionele crisis, met een unieke wisselwerking tussen pers, opsporingsinstanties en politiek.

Het boek van ‘Woodstein’ is veel minder retorisch dan de film (maar even spannend), en de twee hebben bij mijn weten ook nooit beweerd dat ze met hun werk eigenhandig Nixon „ten val” hebben gebracht.

Veertig jaar later is Watergate nog het archetype van ‘antagonistische’, anti-autoritaire onthullingsjournalistiek. Maar je kunt ook zeggen: het is juist een ode aan de maatschappelijke, institutionele rol van de pers.

Dat is niet minder goed, maar nog veel beter dan een jongensachtig detectiveverhaal.

Reacties: ombudsman@nrc.nl