‘Verboden te vechten’ om afgetapte olie

Nigeria is schatrijk aan olie, maar driekwart van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Talloze dieven en smokkelaars in de Niger-Delta leven van illegaal afgetapte olie. „Zolang het zwart blijft stromen, zullen wij het blijven koken.” Voor olieconcern Shell reden zich deels terug te trekken.

De tegenligger mindert vaart en stuurt zijn houten boot angstvallig langs de kant, alsof hij wil schuilen onder de palmbomen langs het mangrovebos. In zijn platbodem staan tientallen zwarte jerrycans vol gestolen en illegaal gestookte benzine.

De oliedief wijst om de bocht, richting Amadi Creek. „Politie daar?”, vraagt hij aan Precious in het Ijaw, een veelgesproken taal in de Niger Delta. Precious kan zijn collega-smokkelaar geruststellen. Hij is geen patrouilleboten tegengekomen. Dan vervolgen beide olierovers elk hun eigen route.

Het is een alledaagse ontmoeting op een van de stille waterwegen in de delta aan de Nigeriaanse kust, waar diefstal van aardolie enorme proporties heeft aangenomen.

„Niet alleen de schaal van de diefstal, maar ook de roekeloosheid waarmee het gebeurt baart zorgen”, zei Mutiu Sunmonu, topman van Shell Nigeria, onlangs in deze krant. Volgens Shell zag het concern afgelopen kwartaal door roof 100.000 vaten ruwe olie per dag uit de pijpleidingen en installaties in de Niger-Delta verdwijnen.

De criminele activiteiten zijn voor de multinational een van de redenen zich grotendeels terug te trekken uit de Niger-Delta. Shell haalde afgelopen kwartaal 158.000 vaten per dag uit de delta. Dat wil het bedrijf substantieel reduceren.

Nog niet zo lang geleden voeren opstandelingen door de kreken die vochten voor meer profijt van de oliewinning voor de lokale bevolking. Maar een amnestieregeling in 2009 maakte daar een einde aan. Tegenwoordig wemelt het op het water van de oliesmokkelaars, die een belangrijke rol spelen in de wijdverbreide handel in gestolen aardolie.

Precious (26) keert terug naar zijn aanlegplaats in Port Harcourt. Van daaruit vaart hij twee tot drie keer in de week in alle vroegte met lege jerrycans de delta in om gestolen en illegaal gedestilleerde benzine te kopen en deze vervolgens in de grote stad van de hand te doen. Hij is een klein schakeltje in een illegaal netwerk dat diep in de delta begint bij het openbreken van de pijpleidingen.

Tijdens een vlucht met een helikopter van Shell zijn de illegale aftakkingen goed te zien: slangen die in grillige lijnen vanaf de centrale leiding het moeras inlopen. Aan het eind van elke slang zit een afsluitklep. Na zonsondergang, als het minder in de gaten loopt, varen de dieven erheen om ruwe olie af te tappen. Om het milieu bekommeren ze zich, zo te zien, niet: de mangrovebomen langs de aftakking zijn afgestorven en er ligt een regenboogkleurige film van olie over het water.

Met het aftappen houdt Precious zich niet bezig, zegt hij. „Dat doen de locals uit de kreek, daar kom je als stadsjongen niet tussen.” Zijn carrière begon bij stap twee in het proces: in de illegale raffinaderijen. Een deel van de geroofde olie wordt in de kreek omgewerkt tot brandstof voor lokaal gebruik.

In manshoge metalen bakken wordt de aardolie ‘gekookt’, een soort destillatieproces dat eerst benzine, dan kerosine en dan diesel oplevert. Wat overblijft is dikke teer. „Afval”, zegt Precious. „Dat gooien we weg of we stoken er het vuur onder de potten mee op. Het kamp ligt vol afgedankte olie. Iedereen loopt op rubberlaarzen om zijn benen te beschermen.” De kokerijen zijn van bovenaf te herkennen als pekzwarte stukken kale grond in het mangrovewoud.

In de kokerij verdiende Precious zo’n 30 euro per nacht, niet slecht als je bedenkt dat een lokale visser blij is met een dagvangst die 6 euro oplevert. Toch hield hij ermee op toen hij genoeg had gespaard voor een eigen boot waarmee hij kon gaan smokkelen. „Veel minder gevaarlijk”, schreeuwt hij vanaf zijn stuurmanszetel, een rijtje van vier jerrycans van 40 liter achterop zijn boot.

Er gaat nogal eens wat mis met de kookpotten met het licht ontvlambare oliemengsel – de illegaal gestookte benzine staat niet voor niets bekend als burn-fire – en menige koker loopt in het kamp ernstige brandwonden op. Precious haalt zijn hand over zijn zorgvuldig bijgehouden ringbaard als hij verhaalt van de vele ongelukken. Ook de boten ontploffen wel eens, geeft hij toe. „Een vonk uit de motor kan genoeg zijn.” Toch is het risico minder groot. Daarom neemt hij zijn lagere inkomen – per tocht verdient hij bijna 50 euro – voor lief.

Precious legt zijn boot aan bij een houten steiger aan de Nkobi-oever. In dit dichtbevolkte zuidelijke deel van Port Harcourt, dat de meeste verbindingen heeft met het water, komt de contrabande aan land. Zo’n veertig platbodems als de zijne liggen aan de T-vormige steiger. Iedere smokkelaar betaalt maandelijks 15.000 naira (75 euro) liggeld.

‘Niet vechten’, staat op borden aan de kade. ‘Boete 7.000 naira per persoon.’ Op de kade liggen afgedankte en te repareren buitenboordmotoren. Overal staan grote gele, zwarte en blauwe jerrycans.

Onder een afdakje aan het begin van de steiger zit een man of tien op plastic tuinstoelen. Eentje leest de krant, twee anderen zijn een potje aan het dammen, van wie er een brandwonden heeft die als een zwarte landkaart over zijn hoofd en gezicht lopen. Zijn linkerhand is door littekens verkrampt tot een soort vogelklauw.

De smokkelaars vervelen zich. Sinds Shell de pijpleiding stillegde om de vele illegale tappunten te verwijderen, hebben de oliedieven weinig meer te doen. „Vroeger was de handel zoet, maar nu het zwart niet meer stroomt, hebben we het zwaar”, verzucht een van hen. Ze moeten nu helemaal naar naburige staat Bayelsa om ‘product’ te halen, zoals de gestolen waar in hun dieventaal heet.

Een ondernemer in gesteven zwart overhemd komt het terrein oplopen om diesel aan te schaffen voor de generatoren waarop hij voor zijn bedrijf is aangewezen omdat de slechte stroomvoorziening in Nigeria zo onzeker is. Dit soort grootverbruikers zijn vaste klanten voor de illegale lokale markt, waar je voor een liter diesel 150 naira (70 eurocent) betaalt, een kwart minder dan de officiële prijs. Daarom zijn ook de blauw-witte minibusjes voor personenvervoer in de stad grote afnemers van de illegaal gestookte brandstof.

Voor de kleinhandel wordt de diesel, benzine en kerosine verder de stad ingebracht. Sjouwers als Aliyu kruien de vaten voor omgerekend 10 euro per exemplaar van de oever naar de verkooppunten, zoals Lagos Bus Stop, een verkeersknooppunt voor de minibusjes in het oude centrum.

Langs de weg verkopen vrouwen, die elders tomaten en uien zouden verhandelen, behalve legaal verkregen benzine ook burn-fire. Natuurlijk komt Aliyu op zijn weg wel eens politieagenten tegen die hem vragen waar zijn handelswaar vandaan komt, maar daar koopt hij zich makkelijk uit: „Als je gepakt wordt, laat je je geld voor je spreken”.

Wie je het ook vraagt, de smokkelaars, kokers, aftappers en illegale verkopers, allemaal vertellen ze hetzelfde verhaal: hun illegale activiteiten gebeuren onder het toeziend oog van de autoriteiten. Ze zijn niet bang om gearresteerd te worden, maar ze willen wel uit handen van de politie blijven omdat ze de buit niet willen delen.

Iedereen in de oliediefstal, van hoog tot laag, zet geld apart voor het omkopen van autoriteiten. Aliyu zet, per oliedrum omgerekend, 3,50 euro opzij om de politie om te kopen. Het kost Precious 25 euro om een patrouille op het water de andere kant op te laten kijken. De illegale stokerijen betalen de mobiele eenheid maandelijks zo’n 1.000 euro om niet te worden lastig gevallen.

Het lijkt erop dat de Joint Task Force (JTF), de mobiele eenheid die pijpleidingen en installaties moet beschermen en olieroof moet bestrijden, in de Niger Delta juist is betrokken bij de clandestiene activiteiten. De JTF-woordvoerder geeft toe het bestaan van zwarte schapen in het korps niet te kunnen uitsluiten, maar ontkent wijdverbreide corruptie. Hij zegt dat er alleen dit jaar al 748 stokerijen zijn opgerold en 608 verdachten zijn aangehouden.

Precious is van de cijfers niet onder de indruk. „Wie wordt gearresteerd heeft gewoon niet genoeg geld gehad om zich vrij te kopen”, schampert de smokkelaar. „Het zijn alleen de kleine vissen die worden opgepakt.”

Zo uitgebreid als het netwerk voor de lokale markt mag zijn, uiteindelijk stelt het weinig voor vergeleken bij de internationale markt voor geroofde aardolie. Volgens recent onderzoek van Stakeholder Democracy Network, een niet-gouvernementele organisatie in de Niger Delta, gaat slechts een kwart van de gestolen ruwe olie naar de stokerijen. De rest wordt verkocht op de veel lucratiever buitenlandse markt.

Voor de kust van de Niger Delta wachten de schepen op hun illegale lading. Van de Nigeriaanse marine krijgen ze vrijgeleide naar internationale wateren. De chef-staf van de zeemacht bekritiseerde onlangs in Nigeriaanse media de medeplichtigheid van een deel van zijn medewerkers aan de grootscheepse smokkel.

Zo’n netwerk kan alleen functioneren met medewerking op het allerhoogste politieke niveau. Politici zouden ook persoonlijk profiteren van de handel in gestolen aardolie, maar zie dat maar eens te bewijzen. Machthebbers in Nigeria zijn voor de wet welhaast onaantastbaar.

De vraag dringt zich op of oliediefstal in deze context wel effectief bestreden kan worden. De armoede in het West-Afrikaanse land – 175 miljoen inwoners, van wie volgens de Verenigde Naties 70 procent onder de armoedegrens leeft – maakt het al niet eenvoudiger.

In de vissersgemeenschappen in de delta, die door de olievervuiling van hun traditionele levensonderhoud zijn beroofd, zullen altijd jongemannen te vinden zijn die wanhopig genoeg zijn om de risico’s van de oliestokerijen te trotseren. En Port Harcourt, waar de olie-industrie maar voor een heel klein deel van de bewoners welvaart brengt, zal onder deze omstandigheden jongemannen blijven voortbrengen zoals Precious.

Toen zijn ouders vier jaar geleden omkwamen bij een verkeersongeluk stopte hij met school om voor zijn vijf jongere broers en zussen te zorgen. Precious weet heel goed dat wat hij doet illegaal is. Daarom wil hij ook niet met zijn echte naam in de krant.

Hij heeft weinig keus, zegt Precious. „Banen zijn er in dit land alleen als je goede contacten hebt, en die heb ik niet. Dit is ons dagelijks brood.” Hij verwacht niet dat de oliediefstal zal stoppen: „Zolang het zwart blijft stromen, zullen wij het blijven koken”.