Rondreis met de Rotary

Voor het eerst alleen op vakantie. Schrijver Jan Siebelink (1938) mocht met een vriend mee naar Engeland en was daarna vastbesloten dat hij iets zou bereiken in de wereld.

Jan Siebelink (17) in Brighton tijdens zijn vakantie in Engeland met de Rotary. Een groot contrast met „de verpletterende armoede” van zijn ouderlijk huis.
Jan Siebelink (17) in Brighton tijdens zijn vakantie in Engeland met de Rotary. Een groot contrast met „de verpletterende armoede” van zijn ouderlijk huis.

1956

Ik kom uit een gezin dat nooit met vakantie ging. Er was geen geld voor reisjes. Mijn vader kon bovendien geen dag weg, hij was kweker. Hij had nog nooit de zee gezien. We gingen hooguit twee dagen bij een oom logeren.

Mijn vriend Coen was de zoon van een notaris en woonde in een schitterend huis in een villawijk. Hij kwam altijd bij ons omdat hij daar de gezelligheid vond die hij thuis ontbeerde. Toen ik zeventien was, mocht ik met Coen twee weken mee naar Engeland op een uitwisselingsprogramma van de Rotary Club, waarvan zijn vader lid was. Mijn ouders waren blij voor me, maar ze maakten zich wel zorgen: moesten ze geen bijdrage leveren? En dat terwijl de ouders van Coen schatrijk waren.

Die reis naar Engeland was een unieke ervaring. We logeerden bij een Brits Tory-parlementslid, van wie ik me de naam niet meer herinner, en we werden door een roze Rolls-Royce met chauffeur opgehaald van Victoria Station. Vanuit de verpletterende armoede van mijn ouderlijk huis belandde ik op een groot landgoed waar je met een privétrein met locomotief kon rondrijden.

Die roze Rolls-Royce bracht ons overal naartoe. Naar Downing Street 10, waar net premier Anthony Eden naar buiten stapte. We mochten hem een hand geven en ik zag dat hij opgemaakt was. Hij had rode blosjes op zijn wangen en zijn lippen waren aangezet, dat was duidelijk te zien.

We gingen naar het strand van Brighton en in het London Palladium zagen we de zwarte boogiewoogie pianiste Winifred Atwell optreden, die toen wereldberoemd was. Iemand vertelde me dat haar handen verzekerd waren voor een miljoen pond. Ik vond het ongelofelijk dat ik haar in levenden lijve zag. Nog steeds houd ik van jazz.

In Engeland at ik voor het eerst cornflakes en rice krispies voor mijn ontbijt, bezocht Windsor Castle en zag een optreden van de immens populaire humorist Harry Secombe. Het was overweldigend. Ik zat net op de kweekschool voor onderwijzers in Arnhem en ik was meer bezig met de problemen van mijn ouders dan met mezelf. Een puberteit had ik nooit gehad. Maar ik was een ambitieus jongetje, ik wilde mijn milieu ontgroeien. Ik hoopte een beroemd turner te worden, ik was goed op de rekstok. Tijdens die reis rook ik voor de eerste keer in mijn leven aan de macht en er sloeg een vonk over. Ik was vastbesloten dat ook ik iets zou bereiken in de wereld.

Twee jaar later zou ik mijn eerste boek, Daniël in de vallei, schrijven. Maar het zou nog lang duren voor het succes mijn kant op kwam.

2013

Ik ben deze zomer in de Cevennen geweest. Ik heb een speciale band met Frankrijk, ik ga er drie keer per jaar heen. Ik heb Frans gestudeerd en als negentienjarige heb ik een tijdje in Parijs gewoond.

Frankrijk is een thuisland voor mij. Ik ben een zorgelijk en bekommerd mens, maar dat valt van me af als ik daar ben. Een uur in Frankrijk en ik ben Nederland totaal vergeten. Ik houd ervan met de mensen in de Cevennen te praten. Zij voelen zich geen Fransen, nee, ze zijn Cévennols! Het is een dunbevolkte streek, waar het leven altijd moeilijk is geweest. Hun voorouders hebben een strijd om het bestaan geleverd, en wie daar geboren is, heeft dat in zijn bloed. Dat kan ik goed begrijpen. De Cévennols zijn open, ze vertellen me alles. Ik mag altijd binnenkomen, dan nemen we een aperitief.

Maar hoe mooi ik het leven in Frankrijk ook vind, ik wil er niet wonen. Ik hoor thuis in Nederland.