Pim wees de weg

Fotograaf Ad Nuis en auteur Arthur van den Boogaard maken eens in de twee weken een foto ‘opnieuw’ en belichten de tijd ertussen.

Afgestudeerd interieurbouwer Pim Schellekens (21) bezocht voorjaar 1998 het graf van zijn grootvader Harrie Schellekens op begraafplaats Boschhuizen in Venray.

„De nacht dat opa plotseling overleed werd mijn jongste broertje Sjoerd geboren. Dat zorgde voor vreemde gevoelens, maar bij mij overheerste blijdschap. Een broertje is kennelijk toch dichterbij dan een opa. Wel herinner ik me het bezoek aan het ziekenhuis waar hij netjes aangekleed lag opgebaard. Voor het eerst zag ik mijn papa huilen. Dat was indrukwekkend. Later bezochten we vaak met de familie het graf.

Op de dag van deze foto schijn ik te hebben gezegd: ‘Ik loop voorop. Ik weet de weg.’ Mijn rossige haar heb ik van opa Harrie. En ook in mijn gezicht lijk ik op hem.

Opa was leraar klassieke talen op het Boschveld College in Venray. Thuis in Venray had hij een bibliotheek: zeker zo’n veertigduizend boeken, met ook veel filosofie. Volgens mijn moeder kon hij daarover mooi vertellen.

Maar daarvoor was ik te jong. Voor ons waren de stapels boeken dé plek om verstoppertje te spelen. Ook na zijn dood speelden we daar. Net zoals we ook graag in hun grote achtertuin zaten die aan het Odapark grensde. Met mijn broer Max en oom Pieter-Paul kampeerden we in de tuin. Dat was gezellig; ook omdat de koelkast van oma altijd vol zat. Samen met haar bezochten we opa: haar naam stond al op de grafsteen.

Later werden die bezoeken minder; ook doordat oma ouder en immobieler werd. Uiteindelijk ging ze naar een verzorgingstehuis. Vorig jaar is ze overleden.

Op 20 april viel ze. Buiten bewustzijn brachten ze oma naar het ziekenhuis in Boxmeer. Ze is niet meer wakker geweest. Ik bezocht haar elke dag. Op een bepaald moment boog ik met mijn gezicht over haar heen. Ze bewoog lichtjes, toonde een reactie. Ik droeg mijn haren toen nog los en Kevin, mijn beste vriend, was er die dag ook en hij zei dat ze kriebelden in haar gezicht. Sindsdien draag ik mijn haren in een staart.”