‘Je komt streng over, maar ik vind je lief ’

Een zomeravondgesprek over het leven tussen politievrouw Ellie Lust en ex-bokser Lucia Rijker. „We zouden het leven moeten vieren met elkaar. Ik wil niet zeggen: tot de volgende uitvaart.”

Foto’s David van Dam

Ze was amper een jaar getrouwd toen haar vrouw „volop in de kanker zat”. Een grote tumor in de linkerborst, uitzaaiingen naar de oksel. De borst werd afgezet, twee jaar later volgde de rechterborst. „In diezelfde periode kneep mijn vader er tussenuit”, zegt politiewoordvoerder Ellie Lust. Haar vrouw heeft het overleefd, maar het blinde vertrouwen is weg.

Lust vertelt het zoals ze misdaadzaken toelicht in tv-programma Opsporing verzocht: beknopt en zakelijk. Nog geen uur na haar aankomst in Dordrecht heeft ze alle hoogte- en dieptepunten uit haar leven aangestipt. „We gingen van nul naar honderd in anderhalve seconde”, zal zij later zeggen.

Lust draagt een T-shirt, slippers en een stoere zonnebril. Haar korte kapsel zit strak in de gel. Ze oogt ontspannen en is benieuwd naar de gesprekken die zullen volgen. „Ik heb geen mobiele telefoon bij mij”, zegt ze op ernstige toon. „Ik ben nu hier met jullie. Daar gaat het om.”

Ze bestelt rosé en vertelt over haar werk. Ze is woordvoerder van het hoofdstedelijke politiekorps en treedt veelvuldig op in de media. Daarnaast maakt zij deel uit van ‘Roze in Blauw’, een politienetwerk dat de belangen van homo’s, lesbo’s, bi’s en transgenders behartigt. Met haar broer en tweelingzus groeide ze op in Oostzaan, maar ze woont al jaren in Amsterdam. „Met mij door de stad lopen is geen pretje. Bij iedere straat heb ik een verhaal: daar woont een gestoorde, daar lag een lijk…”

Terwijl de ober de drankjes aanreikt, kijkt Lust verwachtingsvol naar buiten. „Waar blijft Lucia eigenlijk? Is ze soms iemand in elkaar aan het slaan bij een verkeerstwist?” Ze lacht. „Politiehumor is niet zo subtiel. Wat je op straat ziet en meemaakt, moet er ook weer uit.”

Lucia is Lucia Rijker, voormalig wereldkampioen boksen. Ze arriveert anderhalf uur later. Eerst stond ze uren in de file „zonder Nederlandse navigatie” (ze woont in Los Angeles). Daarna moest ze afscheid nemen van hondje Quincy, een chihuahua, die bij een kennis overnacht. „Van het hotel mocht ik hem niet meenemen”, foetert ze. „En dat terwijl Quincy en ik probleemloos de hele wereld over reizen.”

Nadat Rijker zich in haar kamer heeft opgefrist verschijnt ze in de tuin van het hotel. Nauwsluitende zwarte broek, witte blouse met opstaande kraag. Ze omhelst Lust alsof ze haar al jaren kent. Daarna stompt ze de politieagente in de buik. Lust stompt geamuseerd terug.

„Ja, daar zit niet veel meer”, zegt Rijker, terwijl zij haar eigen buik inspecteert. „Ik deed duizend sit-ups per dag, ik heb genoeg sit-ups gedaan voor de rest van mijn leven. Doe jij nog wat?

Lust: „Ik heb een politievolleybaltoernooi in Praag in oktober. Mijn laatste Europees Kampioenschap.” Lust speelde jaren in de eredivisie. Ze stopte middenin het seizoen toen haar moeder een hersenbloeding kreeg.

Rijker: „Hoe oud ben jij?”

Lust: „46.”

Rijker: Ja, dan ga je het voelen hè. Ik train nu anderen, dan voelen zij de pijn.”

Lust buigt zich voorover. „Hoe bén jij als trainer?”

Rijker: „Ik ben heel lief, maar voor hun veiligheid ben ik streng. Het is een gevaarlijke sport.”

De fotograaf gebaart dat hij wil beginnen. Hij heeft een mooi plekje gevonden, bij de rotsen. Of de dames hem willen volgen. Ze knikken. „Daar bij de waterkant”, neuriet Lust. Zij steekt nog net niet haar arm door die van Rijker.

Een half uur later komen ze aanstruinen. Fluisterend, zo lijkt het van een afstandje. Volgens de fotograaf werden zij lastiggevallen door „een groepje Marokkaanse jongens”. Klopt dat? Ja. Maar Lust betwijfelt of het Marokkanen waren. Toen zij op de rotsen gefotografeerd werden, riepen de jongens teksten vanaf een plateau.

Wat riepen ze?

Rijker: „Ze riepen ‘Hééééé!’”

Lust: „Heel hard – wat een klein beetje irritant was. Dus toen hebben we bedacht dat we het even over zouden doen zodra we klaar waren met fotograferen.”

Rijker: „We zijn op dat plateau geklommen…”

Lust: „…en we hebben ze een hand gegeven. Op het moment dat we op hen afliepen, zakte de energie in. Hadden ze niet verwacht. Weet je hun namen nog? Die heb ik niet onthouden.”

Rijker: „Nee.”

Lust: „Ze wilden weten wat wij daar deden. Dat hebben we uitgelegd. En we hebben ook uitgelegd dat het storend is als ze zich zo gedragen.”

Rijker: „Hebben ze dat meegekregen, denk je?”

Lust: „Nou, jij gaf die ene natuurlijk wel een enorme hoek.” Even is het stil. Dan volgt uitbundig gelach.

Rijker vraagt of Lust gepest werd als kind. „Vanwege je achternaam.”

Lust:„Ik ben gepest als kind, maar niet vanwege mijn achternaam.”

Rijker: „Waarom dan?”

Lust: „Omdat ik een van een tweeling was, rossig haar had, sproetjes en een brilletje. Dat zijn vier redenen op kindniveau om gepest te worden.”

Rijker: „Als je bij mij in de klas had gezeten was ik ertussen gesprongen.”

Lust: „Oh ja?”

Rijker: „Ik vocht alleen maar als kinderen gepest werden. Omdat ze er anders uitzagen. Of omdat ze niet mee konden komen met sport.”

Lust staat op van tafel. Ze wil haar handen wassen, na het contact met de jongens. „Beroepsdeformatie”, roept ze, terwijl ze de deur achter zich dichttrekt. Tijdens haar afwezigheid constateert Rijker dat Nederlanders bang zijn voor aanraking. „Ik hug altijd. Als ik mensen iets langer vasthoud, beginnen ze helemaal te spartelen.”

Als Lust terug is, vertelt Rijker hoe ze in Los Angeles terechtkwam. Een vriendin nodigde haar medio jaren negentig uit. Daarna is ze nooit meer teruggegaan. „De eerste maanden ging ik alleen maar feesten af. Daarna dacht ik: wat wil ik? In LA moet je doen waar je goed in bent, want er zijn twaalf miljoen anderen die denken dat ze geweldig zijn.”

In die tijd deed ze nog aan kickboksen. Maar iemand op de sportschool in Los Angeles – hij zou later haar trainer worden – raadde Rijker aan te gaan boksen. „De eerste keer voelde ik mij net een renpaard dat van stal kwam”, zegt ze met gelukzalige blik. Rijker maakt het geluid van kletterende hoeven. „Ik was helemaal in mijn sas. Vond het prachtig om al die energie te kanaliseren.”

Lust: „Je was goed, je ging het profcircuit in.”

Rijker knikt. „En toen deed ik auditie voor een film, Deep Rising.”

Lust: „Wat moest je doen?”

Rijker: „Ik moest kijken naar een lichaam dat door een ongeluk in tweeën was gehakt. Er kwamen wormen uit. Daar moest ik op reageren.”

Lust: „Wist je wat je te zien kreeg?”

Rijker: „Nee, ik moest het visualiseren.”

Lust, droog: „Ik weet hoe het eruitziet.”

Rijker: „Wow, echt? Daar zou ik wakker van liggen!”

Lust vertelt dat ze met volleyballen begon toen ze acht was. Ze zat op een school waarvan de docenten in het bestuur van de plaatselijke volleybalvereniging zaten. En dus werden zij en tweelingzus Marja lid van Compaen. Voor de zekerheid spelt ze de naam.

Rijker: „Je zus en jij. Deden jullie alles samen?”

Lust: „De navelstreng is nu wel door, maar toen deden we alles samen, ja.” Op haar achttiende bereikte Lust de eredivisie. Ze werd benaderd door de manager van Guus Hiddink, die bij Galatasaray zat. Ze had naar het buitenland kunnen gaan. „Maar ja, ik had toen net een contract gesloten met Dynamo in Apeldoorn. En afspraak is afspraak hè.”

Rijker hoort het zwijgend aan. „Wat ben jij voor sterrenbeeld”, vraagt ze dan.

Lust: „Maagd.”

Rijker: „Je bent georganiseerd.”

Lust: „Ik houd van orde.”

Rijker: „Dat geeft rust?”

Lust: „Ja. Dat komt doordat ik in mijn werk vaak met chaotische situaties te maken heb. Dan wil ik rust en orde in de privésfeer.”

Lust vertelt verder over haar ervaringen in het Nederlandse team; ze was negentien toen ze geselecteerd werd. Het was de tijd dat succescoach Arie Selinger zijn beroemde Bankrasmodel invoerde en de volleybalbond alleen genoegen nam met eremetaal op het hoogste niveau. „We trainden twintig uur in de week. Dan maak je zo veel met elkaar mee… die band blijft voor altijd.”

Terwijl Rijker zich tegoed doet aan Franse schapenkaas informeert Lust of zij in Amerika iets mee heeft gekregen van de moord op volleybalster Ingrid Visser en haar partner Lodewijk Severein in Spanje. „Niet echt.” „Het was een gruwelijke daad”, zegt Lust. „Ik weet niet waarom, maar het heeft er vreselijk ingehakt. Door de jaren heen heb ik zo veel dood gezien en dan opeens gaat het over mensen die je kent.”

Lust bezocht de herdenkingsbijeenkomst in Almere. Daar zag ze „haar hele jeugd voorbijkomen”. „Iedereen was er. Ik zag spelers en coaches die ik al jaren niet had gezien. We hebben elkaar omarmd en het verdriet gedeeld. Topsport is zo intens. Niets kan mij zo emotioneren als sportmomenten.”

Lust zegt dat ze niet begrijpt waarom mensen op moeilijke momenten altijd samenkomen en een bruiloft aan zich voorbij laten gaan. „We zouden het leven moeten vieren met elkaar. Ik wil niet zeggen: tot de volgende uitvaart.”

Rijker vertelt dat haar moeder aan een hersenbloeding is overleden. Ze was 65, een echte glamourvrouw. „Mijn moeder zat nog geen dag in het verzorgingstehuis of twee mannen werden al verliefd op haar. En ze had het niet gemakkelijk daar, hoor. Verzorgingstehuizen zijn net kleuterscholen. Nieuwkomers worden gepest en ze stelen zelfs je eten als je niet oplet.”

Lust: „Begreep je moeder alles?”

Rijker: „Nee, maar ze wist wel wie ik was. Ik ben trots dat ze mijn moeder is. Mijn zussen, broer en ik: we hebben haar tot het eind toe verzorgd.”

Lust: „Vond je het niet gek dat de rollen werden omgedraaid?”

Rijker: „Helemaal niet. Ik verschoonde haar poepluier. Dat vond ze niet fijn. En mijn vader was tegen het eind van zijn leven vel over been – hij had kanker. Als de kinderen die zorg op zich nemen, groeien ze naar elkaar toe.”

Lust zegt dat „dood en ziekte” haar in 2011 deden besluiten naar New York te vliegen. Ze is bevriend met Boris Dittrich, die daar bij Human Rights Watch werkte. „Ik vroeg of hij een vrijwilliger nodig had. En of ik drie maanden voor hem mocht werken. Dat mocht.”

Rijker: „Was er iets specifieks gebeurd?”

Lust vertelt haar over de ziekte van haar partner Boukje en de dood van haar vader. „Na zijn dood moesten we het ouderlijk huis leegruimen. Ik kwam de meest vreselijke Sinterklaasgedichten tegen. Wij spaarden elkaar niet, dat was duidelijk.”

Rijker: „Jouw vrouw is hersteld?”

Lust: „Ja. Ze heeft haar studie opgepakt en is nu orthomoleculair therapeut. Maar ik heb jarenlang in die zorgrol gezeten. Bij ieder ziekenhuisbezoek zat ik naast haar. Thuis verzorgde ik haar drains. We hadden in die periode iets symbiotisch. Daar wilde ik van loskomen.”

Rijker: „Heb jij een daily routine, zodat je bij jezelf kunt blijven?”

Lust: „Ik kan heel druk zijn, maar ook heel stil.”

Rijker: „Ben je dan stil met jezelf?”

Lust: „Ja, maar niet in meditatieve zin, ik ga niet op een kussen zitten.”

Rijker: „Strandwandeling? Boswandeling?”

Lust: „Of ik houd gewoon mijn mond. Ik begin om half acht of half negen met werken. Ik heb veel te doen, dus neem zelden een lunchpauze. Ik voel mij erg verantwoordelijk voor de taken die ik doe.”

Rijker: „Dat zijn allemaal manieren om niet in contact met jezelf te hoeven zijn.”

Lust: „Dat kan. Maar ik vlucht niet.”

De zon schijnt fel naar binnen in de hotelkamer. Rijker sluit de luiken naar het terras en neemt een lange aanloop om uit te leggen waarom zij zelf jaren haar gevoel wegstopte. En hoe zij zichzelf tegenkwam toen zij even niets om handen had.

Ze zou in 2005 tegen de Amerikaanse Christy Martin boxen. Het was een groot gevecht in Las Vegas, om een miljoen dollar. Rijker zou per helikopter naar de arena worden gevlogen. Had al afspraken met een talkshowhost. „Ik weet nog dat ik tegen Jay Leno zei dat ik alleen in zijn show kwam als ik met een privévliegtuig werd afgehaald. Ik voelde me heel wat. En toen, twaalf dagen voor het gevecht, scheurde ik mijn achillespees af.”

Lust: „Ver-schrik-ke-lijk.”

Rijker: „Ik heb er geen woorden voor.”

Lust: „Hoe gebeurde het?”

Rijker: „Ik werd die ochtend wakker en zat niet lekker in mijn vel. Ik wilde de training afzeggen, maar mijn trainer begon te schelden: ik had a fucking attitude, op deze manier zou ik het gevecht tegen Martin nooit winnen. En dus trainde ik toch, met grote tegenzin. Ik wilde een stap opzij doen en: pang.”

Lust: „ Je hoorde het?”

Rijker: „Ja, en toen voelde ik de pijn. Iedereen was stil, alsof iemand overleden was. Ze brachten me naar een ziekenhuis in een uithoek van de stad. Want hé, de media mochten er niets van weten. Nog niet. Mijn driver en bodyguard brachten me terug. Ik kon het niet geloven. Ik wist: dit gaat maanden kosten.”

Lust: „En toen móést je wel met jezelf aan de slag…”

Rijker: „Ik sloeg met kussens tegen de muur en met stokken tegen mijn bankstel. Totdat ik er huilend bij neerviel. Waarom was dit zo belangrijk voor mij? Waarom hechtte ik zo aan geluk buiten mezelf? Ik had het gevoel dat ik alleen wat waard was als ik veel bereikte. Ik was nog steeds het kind dat naar Mohammed Ali keek op tv. Als ik de vrouwelijke Ali kon worden was ik belangrijk. Dacht ik. Dan kon ik dood. Ik was thuis de jongste. Ik moest continu mijn bek houden.”

Lust: „En in één keer was het de grote Lucia-Rijkershow.”

Rijker: „Ja. Maar ik deed het ook voor andere vrouwen. Want die moesten zich destijds erg bewijzen. Ze moesten een man neerslaan voordat trainers interesse toonden.”

Lust: „Jij hebt wel het pad geëffend.”

Rijker: „Daar ben ik nu trots op. Maar ik moest er wel veel voor doen. Ik moest mijn haar krullen en een rokje aan. Terwijl ik een beest was, een monster!”

Lust: „Over imago gesproken.”

Rijker: „Mensen moeten zich met je identificeren hè. Het is een truc. Als de gemiddelde Amerikaanse vrouw zich met je kan identificeren, dan gaan ze de sport waarderen. Maar een beest in een trainingspak? Who can relate to that? Dan word je een kermisattractie.”

Lust: „Wat heb je allemaal níet laten zien om die reden?”

Rijker: „Hoe gevoelig en spiritueel ik ben. Dat gaat niet samen met de sport.” Rijker vertelt dat ze boeddhist is. Via een leerling kwam ze in contact met de religieuze stroming. Ze heeft een boekje voor Lust meegenomen. Over chanten. Spreekt dat haar aan?

Lust: „Nog niet. Ik ben niet religieus opgevoed. Ik geloof in het leven, ik draag niet voor niets het ankh-teken om mijn nek. Het Egyptische teken voor leven: ik heb het zelfs getatoeëerd op mijn onderbeen. Ik ben heel erg van zijn met wat er is. Als jij je achillespees afscheurt, twaalf dagen voordat je je droom verwezenlijkt, was dat kennelijk nodig. Het moest jou overkomen om op dit punt te komen. Anders had je niet op die bank staan rammen en je afgevraagd waarom je je kwetsbaarheid niet mocht laten zien.”

Rijker buigt zich over het voorgerecht. „Wat is dít”, roept ze, wijzend naar de rode gelei in haar soep. Als het antwoord uitblijft, vouwt ze haar handen. Lust verontschuldigt zich, de soeplepel halverwege haar mond. „Ik neem altijd een moment als dank”, zegt Rijker. „Vroeger at ik zonder te registreren.”

Lust: „Mindfulness-achtig.”

Rijker: „Daar is bidden waarschijnlijk ook voor bedoeld. Dat je ontspant en contact maakt met jezelf.”

Lust: „Nou, goede soep.”

Rijker: „Het is cranberry, denk ik.”

Rijker vertelt dat de fotograaf al haar supplementen wilde fotograferen. Alle druppels netjes op een rij. „Heb jij wel eens tarwegras geprobeerd”, wil ze van Lust weten. „Je krijgt er energie van, het werkt waanzinnig.” Lust zegt dat ze spijt heeft dat ze haar supplementen niet heeft meegenomen. „Jouw druppels en mijn pilletjes op de foto.”

We vragen hoe Rijker in The L Word terechtkwam, een Amerikaanse dramaserie over een groep lesbiënnes in Los Angeles. Ze vertelt dat ze bevriend was met Ilene Chaiken, de schrijver en producent van de serie. „Ze wilde dat ik de rol van tennisster Dana zou gaan spelen, een van de hoofdrollen. Maar in de week dat de cast werd samengesteld, had ik een meditatieweek.”

Lust, opverend: „Had je anders Dana gespeeld?”

Rijker:„Misschien, maar ik ben achteraf blij, want ik had het niet gekund.”

Lust: „Wat niet?”

Rijker: „Die seksscènes. Ik heb die scènes live gezien, met de crew er bovenop. Handje hier, handje daar. Nee hoor, mij niet gezien. Ilene zei later: ik kan het niet verkopen als er geen seks in zit. Heteroseksuele mannen moeten zich kunnen aftrekken op de show. Later in de serie vroeg Ilene of ik Dusty wilde spelen, een gevangene. Ik zeg: alleen als ik niet uit de kleren hoef. Ik was behoorlijk homofobisch.”

Homofobisch? Had ze dan nooit relaties met vrouwen gehad?

Rijker: „Ik ben biseksueel. Maar ik wilde niet toegeven dat ik kinderlijk opgewonden kan raken van een vrouw. In The L Word moest ik zoenen met Helena Peabody, een heel mooie vrouw, dus ik was nerveus.”

Lust: „Was het wederzijds?”

Rijker: „Ja. Ik moest haar tegen de muur gooien. Het eerste contact was heel eng.”

Lust: „Het is zo intiem!”

Rijker: „Ik mocht geen initiatief nemen, maar zij zat in haar eigen wereld. Hoe kwam ik in haar energieveld? Ik was zo nerveus!” Rijker bloost. „En de scène moest wel 25 keer over!”

Lust: „Werd het makkelijker na de vijftiende keer?”

Rijker: „Ik voelde me een robot. Zij zat maar te kreunen, terwijl ik nog niets gedaan had.” Uitbundig gelach. „Ik was echt van slag. Het is hard werken, hoor.”

Het is kwart voor tien, de bediening heeft zich al anderhalf uur niet vertoond. Als Lust de luiken opentrekt om te kijken wat er aan de hand is, snelt een serveerster toe. Ze durfde niet binnen te komen, zegt ze. Het zag er zo gesloten uit.

Als de vegetarische maaltijd op tafel staat, snijbietentaart, vertelt Lust dat zij op haar negentiende verliefd werd op een speelster uit het Nederlandse volleybalteam. Ze durfde pas vijf jaar later voor haar geaardheid uit te komen. Ze werkte toen al drie jaar bij de politie. „Ik wilde niet ‘die pot van groep vijf’ zijn. Ik wilde me eerst bewijzen als politieagent. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik moest compenseren. Ik ben dan wel lesbisch, maar ik ben wel een leuk mens, een goede agent, een goede volleybalster.”

Rijker: „Dat is ook een vorm van homofobie.”

Lust: „Ja. Het kostte mij jaren om daar overheen te groeien. Ik kom uit een traditioneel gezin. Mijn vader was melkboer. Voor mijn zusje en mij was het niet makkelijk. Mijn vader maakte wel eens grapjes over Jos Brink en Albert Mol. Daar stopte hij mee toen hij hoorde dat zijn dochters op vrouwen vallen. Mijn moeder sprak er niet over. Als mensen vroegen waarom wij nog geen vriendje hadden, zei ze dat we het te druk hadden met volleyballen.”

Rijker zwijgt even. Dan: „Weet je wat ik mooi vind.”

Lust: „Nou?”

Rijker: „Dat jij nog nooit een klap hebt hoeven uitdelen. Je gaat erop af met je wapens, maar andere wapens.”

Lust: „Ik heb nog nooit iemand voor z’n kop hoeven slaan. Maar dat betekent niet dat ik niet opgetreden heb. Ik heb met inbrekers liggen rollen, pepperspray, wapenstok, maar nog nooit iemand voor zijn gezicht geslagen. Wel heb ik een keer een wapen in de hand gehad omdat iemand met een bijl voor mijn neus stond. Hij kwam verhaal halen bij zijn ex. Stond net als in The Shining in de deur te hakken. Wij komen daar aan, hij draait zich om en wil hetzelfde bij ons doen. ‘Je moet nú die bijl neerleggen’, zeg ik. ‘Anders schiet ik je dood.’”

Rijker: „Mooi, hoor.”

Lust: „Ik ben maar twee keer bang geweest in mijn leven. Toen mijn moeder ziek werd en toen Boukje ziek werd. Ik heb altijd het gevoel dat er een zekere mate van controle is.”

Rijker: „Dat je nog nooit hebt hoeven schieten vind ik geweldig. Want als je daarmee dreigt, moet je ook doorzetten, indien nodig.”

Lust: „Ik heb vaak meegemaakt dat mensen he-le-maal door het lint gingen. Dan zei ik: doe nou eens even rustig. Even aantikken, uit de situatie halen, zorgen dat-ie niet meer naar de ander kijkt. En als het nodig is dat iemand meegaat, dan heb je daar technieken voor.” Ze trekt een verslaggever naar zich toe en doet voor: bokkepootje, schep, come along. „Bij de come along maak je de arm open en dan hier, kijk, in de open strekking.”

Rijker „Hoe noem je dat?”

Lust: „Da’s een come along.”

Rijker: „Een armklem, toch?”

Lust: „Wij noemen dat een come along.”

Rijker: „Oh, een cóme along.”

Lust: „Ja, dat was ik vergeten, jij spreekt natuurlijk niet zo goed Engels.”

Ze krijgen een discussie over wapentechnieken. Rijker vertelt dat haar oom in Suriname een schietbaan heeft. „Ik heb zijn 9 mm daar leeggeschoten. Dat deed ik redelijk goed: negen van de tien.”

Lust: „De politie krijgt een nieuw wapen, de Walther P99.”

Rijker: „Zegt me niks. Maar ik hou van schieten.”

Lust knikt. „Kom jij een keer schieten bij ons.”

Rijker: „Als twintiger wilde ik bij de recherche werken. Maar ja, al die regels. Ik betwijfelde of ik daar mee kon leven.”

Lust: „Welke regels?”

Rijker: „Dat je iemand soms moet laten gaan als je weet dat-ie schuldig is.”

Lust: „Elke politieagent kent die frustratie, zo is het systeem nu eenmaal. Het zijn de wetten van de samenleving. Je bent een wetsdienaar.”

Rijker: „Maar de wet is toch gemaakt door mensen? It doesn’t make sense to me. Dan volg ik toch liever de wetten van het boeddhisme.”

Het is rond middernacht als Rijker vertelt dat zij tijdens een meditatie een ‘uittreedmoment’ had. Ze wil er weinig over kwijt, want „anders denken de lezers dat ik gek ben”. Maar Lust moedigt haar aan. „Toe maar”, roept ze. „Je hoeft je niet steeds te verexcuseren.”

Tegen één uur staan ze op van tafel. „Ik hoop dat ik kan slapen”, zucht Rijker. „Er gaat zo veel door mijn hoofd.” Ze geeft Lust een laatste hug. Daarna vertrekken ze naar hun hotelkamers.

De volgende ochtend bij het ontbijt kijken de vrouwen terug op het gesprek. Rijker doet een onthulling: ze vindt Lust veel leuker dan ze dacht.

Lust: „Dankjewel.”

Rijker: „Ik had een interview met je gezien. Je kwam streng over. Daarom durfde ik Quincy niet mee te nemen…”

Lust, quasi verontwaardigd: „Ik had dat beestje zo voor je naar binnen gesmokkeld. Ik ben niet roomser dan de paus, hoor. Een beetje burgerlijke ongehoorzaamheid, daar houd ik wel van.”

Rijker: „Ik was bang dat ik je zou gaan provoceren. Maar je bent leuk en lief. Je begroette me vanuit je hart.”

Lust: „Ik las dat je een vechtmachine was. Iemand die 54 vrouwen het licht uit de ogen heeft geslagen. Ik was nieuwsgierig naar wie je echt was.”

Rijker: „En? Wie ben ik?”

Lust: „Je bent echt. Heel echt.”

Rijker: „Mag ik jou mijn nieuwe boek overhandigen op het Happinez-festival, begin september?”

Lust: „Geweldig.”

Na enig aandringen wil Rijker wel een nieuwtje uit Lucia Rijker. Bokser en boeddhist prijsgeven. Ze sluit haar ogen als ze het vertelt. „Ik heb een beroerte gehad. Drieënhalf jaar geleden.”

Lust, hand voor de mond: „Oh, wat erg!”

Rijker: „Ik slikte YAZ, een anticonceptiepil, om mijn menstruatie te reguleren. Tijdens een orgasme knapte er iets in mijn hoofd. Degene met wie ik was wilde de ambulance bellen, maar dat wilde ik niet. Ik wilde het zelf doen. Ik ben gaan chanten. In mijn hoofd duwde ik mezelf in mijn lichaam terug.”

Lust: „Was je bang?”

Rijker: „Nee. Het was hemels. Ik zat helemaal in het moment. Je denkt dat je controle hebt over de toekomst en dat je het verleden wilt repareren, maar er is alleen maar dit moment.”

Ze moest haar agenda schoonvegen. Het duurde weken voor ze weer redelijk kon denken. Nu plant ze niks meer.

Lust: „Daar ligt ook mijn uitdaging. Mijn agenda loopt zó vol. Ik wil mijn vrije avonden alleen nog doorbrengen met mensen die belangrijk voor mij zijn.”

Rijker: „Alles waar je denkt zo belangrijk voor te zijn, gaat door zonder jou. Dingen gaan niet volgens plan. Daarom vond ik dit gesprek ook zo leuk. Ik wist niet waar ik ‘ja’ tegen zei. Voor hetzelfde geld wilden jullie met z’n allen op één kamer slapen.”

Lust: „Had ook gekund, achteraf.”

Rijker: „Ik dacht: waarom dóé ik dit? Waarom doet zij dit?”

Lust: „Omdat het anders is. Anders en leuk. Dus dank voor de uitnodiging.”