Ik sta geregistreerd dus ik besta

De registratie van privégegevens in centrale databanken stond vroeger symbool voor naderend onheil. Nu bewijst het je bestaan en je rol in de moderne samenleving.

Is bezorgdheid over de uitholling van privacy iets voor mensen van boven de 50? Of lijkt dat zo?

In ieder geval was Nederland in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw volgens Tilburgse onderzoekers een „privacyparadijs”. Het frame van het maatschappelijk debat over privacy was tot dan toe de Tweede Wereldoorlog. Daarna zette de internetrevolutie alles op z’n kop.

Tussen 1940 en 1945 bleek de overheid immers soepel te hebben voldaan aan de Ausweispflicht en de administratie van Joden. Die gezagsgetrouwe houding had desastreuze gevolgen – dat zouden de (post-) babyboomers niet weer laten gebeuren. Schuldbesef en een kritische houding jegens het gezag gingen hand in hand. Privacy was de schuttersput van het moderne verzet. Een eventuele identificatieplicht op straat stond gelijk aan heulen met de nazi’s.

Na de val van de Muur in 1989 sloeg echter het optimisme toe. De Koude Oorlog was gewonnen, de geschiedenis was opeens ‘voorbij’, althans volgens de Amerikaanse socioloog Francis Fukuyama. Ontspanning en welvaart namen een hoge vlucht. Ideologie deed er niet meer toe. Europa zou zich verenigen; eerst als markt en dan als politieke unie, met één munt. Voor enig wantrouwen jegens de eigen overheid leek weinig reden meer.

De spectaculaire opkomst van internet leverde een nieuwe collectieve ruimte op waarin informatie – en daarmee macht – voor iedereen beschikbaar zou komen. Op voorwaarde dat iedereen ook bereid was mee te doen: privacy werd iets om (uit) te delen. De persoonlijke levenssfeer werd eigenhandig publiek gemaakt, via sociale media. Kennis werd in hoog tempo gedigitaliseerd, ook die van de overheid. De opkomst van de steeds krachtiger pc gaf iedereen toegang tot vrijwel ongelimiteerde geheugen- en opslagcapaciteit. En tot talloze ongecensureerde publicatiekanalen. De eerste generatie die in de jaren negentig opgroeide met internet beschouwde aldus de honderden databases waarin hun identiteit voorkomt eerder als bewijs van hun bestaan, dan als een belofte van naderend onheil.

Zet daar eens het protest in de jaren zeventig tegenover tegen bijvoorbeeld de volkstelling. Onderzoekers zouden van deur tot deur komen informeren naar schooldiploma’s, aantallen kamers, de afstand van het woon-werkverkeer, handicaps, beroep, religie en zelfs de locatie waar u ’s nachts de auto parkeert. Enige tienduizenden burgers weigerden al medewerking aan de telling van 1971. De volkstelling van 1981 werd zelfs afgelast omdat aannemelijk was dat een kwart van de bevolking de deur deur zou dichtslaan.

De spraakmakende gemeente hing waar mogelijk aan de rem. Begin jaren zeventig werd het aftappen van telefoons, mogelijk sinds 1926, nog aan strenge beperkingen gebonden. De politiek vond telefoons afluisteren zeer ingrijpend. Er zou ook maar weinig gebruik van worden gemaakt, verwachtte men. Richtmicrofoons, uitgevonden in de jaren zestig, werden de politie met overtuiging onthouden. Een veel te ingrijpende inbreuk op de privésfeer, zo’n ‘geluidgeweer’. Het gebruik van DNA-materiaal in strafzaken was tot begin jaren negentig alleen mogelijk met expliciete instemming van de verdachte. Verplichte DNA-afname vond het gezag eveneens een te grote inbreuk op het individu.

Feitelijk kon de politie tot midden jaren tachtig de bevolking alleen observeren, volgen en eventueel huiszoeking doen of voorwerpen in beslag nemen. Afluisteren, meelezen, binnenkijken, uitlokken, bestanden koppelen – het mocht niet en vaak kon het technisch nog niet. Datzelfde gold voor reis- en locatiegegevens, betaal- en informatiegedrag. Of die gegevens waren er niet, of ze werden niet lang genoeg bewaard, of ze waren niet toegankelijk. Vals geld, neppaspoorten en -kentekens waren dan ook breed beschikbaar en goed bruikbaar. Elders een ‘nieuw leven’ beginnen kon nog gewoon. Politiekorpsen wisselden weinig informatie uit. Niet alleen internationaal, maar ook binnen eigen grenzen.

Het Tilburgse rapport Van privacyparadijs naar controlestaat uit 2007 laat de omslag zien. Na de val van de Muur sloeg de schaalvergroting toe. Automatisering en digitalisering kwamen begin jaren negentig op gang. Het koppelen van databases begon. De informatie waar de volkstellers in 1981 niet om durfden aan te bellen, kon voortaan gewoon uit databases worden geplukt. Buiten de burger om, die behalve de computer en internet ook net de beurs aan het ontdekken was.

De eerste bewakingscamera’s werden in 1999 opgehangen, onder vrij weinig protest. De terreuraanslag van 11 september 2001 gaf hooguit een nieuwe impuls aan het opkomende veiligheidsdenken en de bijbehorende inperking van de persoonlijke levenssfeer. Tweederde van de bevolking gaf na de aanslagen aan veiligheid belangrijker te vinden dan privacy. ‘Ik heb toch niets te verbergen’ werd een gevleugelde repliek. De burger was immers gewend aan sociale media, gsm-navigatie, smartphones, intelligente zoekmachines, gezichtsherkenning, kentekenregistratie en andere overheidscamera’s. Zo werd een nieuwe sociale norm geboren – het transparante leven. De burger die niets te verbergen heeft – en dat ook niet meer kan of zou weten hoe dat moet.